Wereldkampioenschap als religie

De wereld overwinnen, dat is het nog eens. Of eigenlijk, wij zelf als wereldveroveraars!

Je moet er niet aan denken dat je verliest. Vlak voor het einde. Dat is het einde. Helemaal. Klaar en uit. Want winnen, daar ging het om! Wie wint, overwint blijkbaar. Of eigenlijk gaat het er om dat wij zelf winnen. Via de godenzonen. Of de godenzoon bij uitstek. Je weet wel. Zelf zijn we misschien ‘loosers’. En toch win je dan. En niet zomaar, nee je wordt overwinnaar. Om niet te zeggen kampioen! Vandaar die uitzinnige vreugde. Wie had het over onzinnig?! Ik …

Een ultieme vorm van de ‘er op of er onder’. Daartussen is niets. Letterlijk!

Dat is allemaal niet niks. Dat is alles! Dat zie je om je heen. En het luchtruim wordt vervuld of vervuild met gejuich straks bij iedere overwinning. Alles verschiet gewoon van kleur. ‘Oranje, blanje bleu’. Of een variant daarvan. Strijdbaar, dat wel. Zeer strijdbaar. Want het gaat om overleven eigenlijk. Van de godenzonen, en zo van ons natuurlijk. Buitengewoon spannend. Je zou bijna spreken van een ultieme vorm van de 'struggle for life' als je gelooft in de evolutieleer. En dat doen we natuurlijk, al snappen we het niet allemaal of helemaal niet. En als we straks zouden winnen, dan waren we er. Of nergens. Nou ja, je snapt het wel. Dan is het klaar en uit. Snap je? Nee, niet echt. En echt niet!

Want snappen we dan niet dat dit een kwaadaardige variant is op de scheppingsleer in de Bijbel? Of van de navenante herschepping? Overwinnen of overleven door de Zoon van God! Je hoort het straks aan alle kanten om je heen… ‘Handklapt en betuigt onze God uw vreugd, wees te saam verheugd’. Het Lam dat op de troon zat overwon. En wij met Hem. Voor altijd en eeuwig. Kijk dat is het. Helemaal. En dat hoor je dan keer op keer en steeds weer: 'Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest'. In een uitzinnige vreugde. En zijn wij uitzinnig, wij zijn het voor God, zei Paulus (2 Kor. 5 : 13). Hoor maar:  ‘Hun blijdschap zal dan onbepaald (onbegrensd) door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen’(Ps. 68 : 2 ber.). Een climax dus. Bij God vandaan!

Over overwinning gesproken, nu en eeuwig. En daarom een toekomst vol van hoop. In plaats van een bal, die als een ballon uit elkaar spat … Je zult maar verliezen. Dat is alles verloren! Ja, ’t is maar waar je voor koos, of toe verkozen bent. Het gaat inderdaad er op of er onder!

                                                 




                                           Eensgezind

 

Waar is vandaag het pinksterleven in en van de kerk? Getoetst aan de Heilige Schrift!

 

“En dagelijks eendrachtig in de tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te samen met verheuging en eenvoudigheid van hart; en prezen God, en hadden genade bij het ganse volk.”( Hand. 2 : 46,)

 

“Nu zag ik in mijn droom, dat Christen toch niet alleen was, toen hij verder ging. Iemand, die diep onder de indruk was gekomen van het lijden, dat Christen en Getrouw hadden geleden, had zich bij hem gevoegd en gezegd, dat hij graag vanaf heden zijn reisgenoot en vriend wilde zijn. De naam van die man was Hoop. Zo stierf de ene reisgenoot, maar het was, alsof een andere uit zijn as verrees om de plaats van de eerste in te nemen”.

                                                            John Bunyan,  De Christenreis naar de eeuwigheid

 

“De huiver om de eigen kerk als ware kerk te beschouwen, hoe sympathiek ook, verraadt een relativering van de eenheid van de kerk. De Reformatie had niet de intentie om nieuwe kerkverbanden te stichten, maar beoogde de hervorming van de ene kerk van Christus. Wie bidt om de eenheid van de kerk, bidt om het herstel van en de terugkeer tot de ene katholieke kerk.”

                                         Dr. H. van den Belt in het Reformatorisch Dagblad op 21 juli 2007

 

Uniek

Levend vanuit de belijdenis van de Reformatie is wat persoonlijk is en gemeenschappelijk zodanig op elkaar betrokken dat ze elkaar over en weer vertalen en bepalen. Uiteraard heeft dat alles van doen met de vervulling van de tweeledige Wet van God. De vereniging met God in Christus heeft onmiddellijk tot gevolg dat we ook verenigd zijn met elkaar.

De gemeente en de kerk vormen daarvan een unieke gestalte. Deze bijzonderheid komt tot uitdrukking in haar heiligheid in de zin van heelheid. Deze heelheid houdt ook eenheid in als een belofte voor dit en voor het toekomende leven. Als zodanig vormt zij een contrast met de omgeving en de leefomgeving, waarin velen opvallen door hun massaliteit en eensgezinde ongehoorzaamheid in een leven zonder God.

 

Adriaan van Dis laat in zijn jongste roman De wandelaar een pater het manco van de samenleving aanwijzen. “De pater smeerde somber een klodder gras op zijn toast. De wereld stond er slecht voor, vond hij, en het kwam voorlopig niet meer goed. De westerse beschaving had gefaald omdat de ruggengraat van de godsdienst ontbrak. God was verdwenen in de zondagse file. Het Westen kon geen voorbeeld meer geven, omdat het geen voorbeeld meer had, alleen het eigenbelang telde nog.”

 

Opvallend

De apostel Petrus noemt de ongelovigen ‘de ongehoorzamen die zich aan het Woord stoten’(1 Petr. 1 : 1). Daarin is men dus één: niettegenstaande al hun verschillen en geschillen, en niettegenstaande al hun individualisme. Blijkbaar vormen zij de omringende leefwereld van de ‘vreemdelingen’ aan wie Petrus een pastorale brief schrijft. Vreemdelingen, die zich in deze leefomgeving en in dit leefklimaat niet thuis voelen, omdat ze oorspronkelijk behoren tot een ‘heilig volk’ zowel door geboorte in het volk Israël als door wedergeboorte.

In tegenstelling tot de hen omringende onheilige leefwereld vormen zij een ‘heilig volk’. Een opvallende eenheid in God tegenover een opvallende eenheid tegen God. Dit maakt ook vandaag het verschil tussen kerk en wereld. Dit opmerkelijke verschil is zowel stervend van aard als wervend en ervend. Dit onderscheid doet de gemeente vandaag onder het kruis leven, van waaruit zij het evangelie doet horen in de wereld, en tegelijkertijd houdt dit onderscheid een belofte in voor de toekomst.

Dit doet hen eensgezind zijn te midden van allen die zich aan het Woord van God stoten. Deze eensgezindheid is voor hen eigenlijk een levensvoorwaarde.

 

Postmoderne mensen beseffen goed dat de kerkelijke versplintering van de gereformeerde gezindte meer te maken heeft met voortgaande secularisatie of ontkerstening, ook in de kerken, dan met orthodoxie of rechtzinnigheid. De niet gelovige Herman Vuijsje schrijft in Pelgrim zonder God: “Het succes van orthodox-christelijke splinters – in Frankrijk katholiek, in Nederland eerder protestant -  is een randverschijnsel; een kanttekening bij voortgaande secularisatie. Het heeft niets te maken met een terugkeer naar vroeger, maar illustreert juist de alomtegenwoordigheid van voorkeuren: ieder voelt zich vrij zijn leven in overeenstemming met zijn eigen hobby’s vorm te geven.”

 

Als de hen omringende mensen zonder God herkenbaar zijn aan hun gezamenlijke óngehoorzaamheid, dan zullen reformatorische mensen herkenbaar zijn aan hun gemeenschappelijke géhoorzaamheid. Hun gehoorzaamheid is dan een gelóófsgehoorzaamheid die daarin bestaat dat ze gehoor geven aan de roeping van God. Evenals Abraham destijds. Overeenkomstig de doorgaande lijn van Oude Testament naar Nieuwe Testament.

 

Grenzen

Petrus tekent in zijn brief een onoverbrugbare kloof tussen twee soorten mensen. Zoals er destijds onder het oude verbond een onoverkomelijke kloof was tussen het volk Israël en de omringende heidenvolken, zo is deze er ook tussen de verbondsgemeente onder het nieuwe verbond en allen die aan de roeping van God geen gehoor geven.

Deze grenzen tussen het volk Israël enerzijds en de omringende volken anderzijds, en tussen de gemeente enerzijds en mensen die aan God geen gehoor geven anderzijds, zijn en worden echter doorbroken in Jezus Christus door de Heilige Geest. Deze doorbraak is heilzaam! Omgekeerd is een doorbraak van de volken naar Israël, en van de wereld zonder God naar de Kerk en de gemeente, heilloos.

Hier past ons een heilige eensgezindheid. Met vervaging van grenzen is niemand gediend, tenzij ze door God zelf en zijn heilig evangelie doorbroken worden.

Vanuit God gezien behoort de kerk tot het ‘volk van de gehoorzaamheid’, waarbij tarwe en onkruid samen opgroeien tot de volle oogst.

 

Zichtbaar

De Reformatie heeft de zichtbare kerk altijd als een eenheid gezien, waarbij alleen God oordeelt over het hart. Zo gezien zal het ‘volk van de gehoorzaamheid’ wezenlijk geheel anders zijn dan het ‘volk van de ongehoorzaamheid’.

De kerkelijke discipline of tucht heeft hier alles mee te maken. Zij houdt de kerk en de gemeente aan haar goddelijke afkomst krachtens het verbond van Gods genade. Haar allure of statuur is als een flonkerende parel met vele lichtvlakken.

Al naar gelang het licht van Christus daarop valt, heet zij in de eerste brief van Petrus een ‘uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, en een verkregen volk.’ Elk voor zich omschrijvingen van het oudtestamentische volk van God, die nu blijkbaar ook van toepassing zijn op de nieuwtestamentische gemeente. Daarmee ging de profetie van Hosea in vervulling: “Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden”.

 

 

Horig

Petrus trekt de lijn door naar de gemeente van het nieuwe verbond. God heeft haar geroepen uit de volken, om al horend en gehoorzamend, te behoren tot het volk van God, en om zo doende uit genade en door het geloof een ‘heilig volk’ te zijn. Als reformatorische christenen hechten wij hier aan het horigheidskarakter van het geloof. Het geloof is daarbij van natúre horig, in die zin dat er enerzijds alleen maar sprake is van geloof als het Woord van God wordt gehoord en gehoorzaamd, en anderzijds in de zin van een onderhorige of lijfeigene die hoort naar het woord van zijn eigenaar en hem als vanzelf gehoorzaamt. In en vanuit deze voortdurende afhankelijkheid en aanhankelijkheid roept en houdt God zijn kerk in leven.

Zij vormt dus een wezenlijke eenheid, al is zij verstrooid onder de volken en onder de mensen die niet naar God horen. De ‘bevolkingsdichtheid’ van de kerk versterkt haar eensgezindheid. Het gaat immers om kinderen van één Vader. Als een ‘uitverkoren geslacht’ in het leven geroepen vanuit het eeuwig welbehagen.

 

Gezamenlijk levend vanuit het wonder: ‘niet Mijn volk’ werd ‘Mijn volk’ (Vgl. Hos. 1 : 9 – 12 , daar wordt ‘Lo-Ammi’ nochtans ‘Ammi’). Ze vormen daarom ook tezamen een ‘koninklijk priesterdom’. God noemde Zijn volk bij de verbondsluiting op de Sinaï een ‘priesterlijk koninkrijk’ of een ‘koninkrijk van priesters’. Door God uitgeroepen tot een theocratie of Godsregering. Daaraan zou dit volk herkenbaar zijn. Zó zou het een heilig volk zijn, vanuit de heidenvolken door God afgezonderd of geheiligd.

Als gemeente belijden wij dat onze Koning, van Israëls God gegeven priester werd, die zichzelf geofferd heeft op Golgotha, om zó met Pasen en Hemelvaart weer Koning te worden. Het betreft de kruistheologie (theologia crucis) als de specifieke theologie van de Reformatie tegenover de theologie der heerlijkheid (theologia gloriae) van de Dopersen. Daarom vormt de gemeente een ‘koninklijk priesterdom’ omdat wij nú vanuit de Reformatie de nadruk leggen op de Gekruisigde (Gal. 6 : 14), overeenkomstig de Heilige Schrift, tegelijkertijd belijdend dat wij in de toekomst van onze Heere Jezus Christus weer een ‘priesterlijk koninkrijk’ of een ‘ koninkrijk van priesters’ zullen vormen.

Zó komt de God van het oude verbond via het nieuwe verbond uiteindelijk tot zijn doel in en met zijn gemeente. Samen met Israël!

 

Ronald Westerbeek oppert in zijn roman De val van de pelikaan de mogelijkheid dat Israël en de kerk in wezen identiek zijn, als hij de jood Rahabi laat zeggen: “En geloof me, over tweehonderd jaar loopt er nog een Jonas rond. In zijn eigen tijd en misschien onder een andere naam, maar met dezelfde twijfels en dezelfde vragen. Jullie ontmoeten elkaar in de herkenning… Misschien draagt hij zonder het te weten een waarheid in zich, die jullie beiden uit jullie twijfel zou kunnen redden. Misschien ook niet… Als er een waarheid is, dan is het een eeuwige waarheid. Niets is nieuw. Vinden jood en christen elkaar als ‘alter ego’ in de tijd? Ontdekken ze de scharnier die hen verbindt?

 

Eigendom

Daarmee heeft de gemeente dan vooral een priesterlijk karakter gekregen en ook iets van een koninklijke uitstraling. Dus vanuit de bediening der verzoening leeft de gemeente onder de koningsheerschappij van Jezus Christus én leeft zij toe naar de volle ontplooiing daarvan.

Het gezamenlijk beleefde wonder van de genade doet de gemeente ten diepste en in wezen eensgezind zijn. Ze heeft er weet van een ‘verkregen volk’ te zijn of letterlijk: ‘een volk ten eigendom’. Ze is het persoonlijk eigendom van God. Juist in haar gemeenschappelijkheid. God de Vader heeft haar verworven door de gave van zijn Zijn Zoon. God de Zoon heeft haar verworven met de prijs van zijn bloed. En God de Heilige Geest heeft haar géworven als een bruid voor de Zoon vanuit het welbehagen van de Vader.

Zo is de kerk van het nieuwe verbond een heilig volk. Uniek in haar gehoorzaamheid aan God. Voortdurend levend van het horen van zijn Woord. En dienovereenkomstig altijd zijn Woord gehoorzamend. Op straffe van geen kerk meer te zijn. De maat van de heiligheid vereist dit en tegelijk is waar: God geeft wat Hij vraagt in het heilig evangelie.

Ten diepste gaat het dan om heiligheid in gemeenschappelijkheid: één heilig volk!

 

.

Als reformatorische belijders zijn we er daarom van overtuigd dat we zonder gemeenschap geen heiligen kunnen zijn, want vanuit God gezien is ieder individualisme ons volkomen vreemd. We zijn er ook van overtuigd dat ons louter er-zijn een medicijn kan zijn voor ons volksleven dat doortrokken is van de gedachte: ieder voor zich! Aangezien ‘en God voor ons allen’ daar zelfs niet meer aan toegevoegd wordt – niet formeel, maar ook niet naar de inhoud – begint dit postmoderne individualisme zelfs satanische trekken te krijgen.

 

Vonne van der Meer wijst in haar roman Ik verbind u door op het continu verbreken van de gemeenschapszin in de alsmaar toenemende moordzucht: “Een moord kan nooit het laatste woord zijn, is nooit het einde, eerder het begin. Maar het begin van wat? Van een nieuw verhaal, van weer zo’n keten van kleine en grote wreedheden, of van iets anders?”

 

Contrast

Dit verscherpt wel de contrastwerking met het reformatorisch volksdeel. De gemeente heeft haar bestaansrecht gezamenlijk en gemeenschappelijk helemaal vanuit God. Daarom zal ze ook gezamenlijk en gemeenschappelijk helemaal leven voor God. Petrus omschrijft het geestelijk beleidsplan van de gemeente aldus: “opdat u zou verkondigen de deugden van Hem die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.”                                                                                                                                                                                    De kerk van de Reformatie leeft bij de gratie van haar getuigenis. Dit getuigenis naar de wereld toe wordt heel wezenlijk gemeenschappelijk gegeven, op straffe van geen getuigenis meer te zijn. Zij gelooft en belijdt immers de gemeenschap der heiligen. Met woord en daad. Daarbij heeft zij er innerlijk weet van dat heilsegoïsme wezensvreemd is aan een heilig volk, wat de kerk naar haar diepste wezen en weten is.

 

Luther kwalificeert de mens als ‘incurvatus in se’ (‘naar zichzelf toegebogen’ of ‘in zichzelf gekeerd’), verstrikt in eigenliefde en cirkelend om de as van het eigen ego.

 

Eensgezind

Zo zeer gaat de eenheid van de Schriften haar ter harte dat de kerk van de Reformatie  wel eensgezind moet zijn in haar getuigenis naar buiten toe. Zij neemt er voortdurend kennis van dat men in de wereld ieder een eigen weg gaat, en zij weet uit ervaring dat de brede weg (Matth. 7 : 13) daar ook breed genoeg voor is. Tegelijkertijd weet zij bij ondervinding dat de kerk als een ‘heilig volk’ gezamenlijk en gemeenschappelijk Gods weg gaat, in Christus die de weg is. Op deze weg kan onmogelijk ieder zijn eigen weg gaan, want daarvoor is deze weg te smal. Zo smal, dat eensgezindheid geboden en gegeven is, als een gegeven van bovenaf. Kenmerkend en karakteristiek voor de kerk van de Hervorming vandaag!

Reformatorische gelovigen zijn eensgezind, want anders zijn zij niet reformatorisch. Het kruis van Jezus Christus kruist individueel hun pad in de gemeente en kruisigt hen naar de gemeenschap van de gemeente toe.

Merkwaardigerwijze valt de wereld van de ongehoorzamen uit elkaar in een eeuwigdurende ontbinding, maar dit volk valt naar elkaar toe in een eeuwig duurzame binding. Dit alleen al toont dat het hier in feite gaat om twee tegengestelde bewegingen, in die zin dat de kerk alleen maar heilzaam in de wereld kan komen, maar dat de wereld alleen maar probeert heilloos de kerk binnen te komen.

Zo is het eensgezind staan van de kerk in en tegenover de wereld vandaag alleen maar een geboden én een beloofde zaak ( Openb. 19 : 1, 6).

 

Perspectief

Eensgezindheid is dus kenmerk en waarmerk van de kerk. Zij straalt als veelkleurige gemeenschap de veelkleurige wijsheid van God uit, in de ontelbare lichtvlakken van de parel van grote waarde (Matth. 13 : 45, 46). Straks zingt zij als een schare die niemand tellen kan eensgezind de lof van het Lam. Eensgezindheid verbindt blijkbaar de aarde met de hemel en de hemel met de aarde.

 

Voor C. S Lewis was zijn bekering vooral een verlost worden van het gesloten wereldbeeld en het dienovereenkomstig opgesloten zijn in zichzelf: “Ik begreep dat al mijn wachten op en uitzien naar vreugde, al mijn ijdele hoop op een denkinhoud waar ik de vinger bij kon leggen en zeggen ‘Dit is het’, een zinloze poging tot beschouwen van het ervarene was geweest.” Toch meende hij dat de grote vreugde het verlangen naar iets buiten het ik moest zijn, en op dat iets ging hij zijn aandacht concentreren

Naar het eigen getuigenis van Lewis vormde de ontdekking van het objectieve buiten hemzelf de doorbraak van zijn bekering tot God, die sterk intellectueel van aard is geweest en tegelijk niet minder existentieel: “Maar bij de volgende stap word ik met ontzag vervuld. Het viel niet te betwijfelen dat de vreugde een begeerte was (en voor zover het tegelijk ook iets goeds was, was het ook een soort liefde). Maar een begeerte is niet op zichzelf gericht, maar op zijn object. En dat is niet alles: aan dit object heeft zij haar hele karakter te danken.”

 

Daarmee is, naar reformatorische opvatting, de kerk een unieke verschijning, waarbij alle nadruk valt op de heelheid en de eenheid als gegeven en als belofte. Alleen de kerk biedt het grote perspectief in de wereld en voor de wereld (  C. S. Lewis, Verrast door vreugde (oorspronkelijke titel Surprised by Joy).

Een biograaf van Lewis schrijft over hem: “De bekering vond plaats op 22 september 1931, terwijl Jack in de zijspan van Warrens motorfiets zat… ‘Toen we vertrokken geloofde ik niet dat Jezus Christus de Zoon van God is’ schreef Jack, ‘en toen we bij de dierentuin kwamen wel’. Het was geen emotionele gebeurtenis en evenmin had hij bewust zitten redeneren. ‘Het was meer zoals wanneer je na een lange slaap nog bewegingsloos in bed ligt en dan tot het besef komt dat je wakker bent.”

 

Ook bij de grote schrijvers van de Russische literatuur bestond het besef dat blijdschap onmiddellijk in verband moest staan met God. Dostojewski laat iemand in De gebroeders Karamazow zeggen: “O zeker, we zullen met ketens aan onze voeten gaan, en er is geen vrijheid meer, maar vanuit ons lijden zullen wij opstaan en opstijgen tot grote blijdschap, zonder welke de mens niet kan leven en er ook geen God kan bestaan, want God schenkt deze blijdschap.”

 

Onbreekbaar

Op deze wijze krijgt de hoop op een overtuigende manier in onze eigen tijd gehalte en gestalte ten aanzien van de eenheid met God en met elkaar.

Reformatorische gelovigen achten de kerk dermate uniek, als zijnde met niets in deze wereld te vergelijken, dat zij op geen enkele wijze de kerk wensen te verwarren met een vereniging, van welke aard dan ook, of met een partij van welke kleur dan ook. Eensgezind zijn zij het er over eens dat met de kerk ook niet kan worden gehandeld als zou zij een vereniging of een partij zijn. Het is hun diepe overtuiging dat zij in dat geval de kerk naar beneden zouden halen, wat eigenlijk niet kan, want zij is van God. In ieder geval zouden zij zich dan vergrijpen of misgrijpen, met alle gevolgen van dien.

Om deze reden zijn ze er van overtuigd dat de kerk niet kan breken of scheuren, want haar geestelijke heelheid en eenheid maken dit ten enenmale onmogelijk.

Zij kunnen nu eenmaal en ook andermaal niet handelen met de kerk, want in de kerk handelt God met hen. Indien zij al het onmogelijke mogelijk zouden maken en zouden gaan handelen met de kerk, dan zouden zij het handelen van God met hen onmogelijk maken. Deze onmogelijke mogelijkheid moet worden verstaan als het wezen van de zonde! De dienovereenkomstige kerkelijke schuld is dan ook met geen mogelijkheid te vereffenen.

 

Eerbied

Precies daarom hebben reformatorische mensen zo’n ongelofelijk grote eerbied voor de kerk. Alleen in het allerheiligst geloof krijgt zij haar geëigende plaats.

In de kerk zet God zijn voetstappen op deze aarde en volgt zij het Lam waar het ook heengaat. Buiten haar is geen zaligheid, omdat het Lam daar niet gaat en God daar niet staat te komen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de kerk vandaag via de moderne communicatiemiddelen mensen tot zegen kan zijn, die dan later de behoefte zullen gevoelen aan de gemeenschap van een gemeente.

Daarom is voor reformatorische gelovigen de kerk een geloofsartikel van begin tot eind, evenals Jezus Christus het begin en het einde is. En dit geloofsartikel articuleert voor hen dat ze met de kerk op geen wijze mogen of zelfs maar kunnen manipuleren. Een eventuele poging daartoe zou gelijk staan met aanranding van het werk van God. Dan zouden zij geraken aan de randen van het kerkelijk bestaan waarbij ze over de rand heen zouden gaan in het niets van de verlorenheid zonder God. En daar is geen hoop meer. Zozeer zijn zij doordrongen van de eensgezindheid van de kerk vanwege haar geestelijke heelheid en eenheid.

Naar het belijden van de Reformatie begint de kerk bij God en eindigt zij bij God. Daartussenin zijn wij heilig passief omdat we actief betrokken worden bij de grote werken van God. Niet wij dragen of bevragen de kerk, maar de kerk draagt ons en zij stelt ons eeuwigheidsvragen die onmiddellijk in de praktijk van alledag beantwoord zullen worden in het licht van het Woord van God. Wij hebben er weet van anders kerkelijk geen dageraad te zullen zien.

Daarom is de gemeente voor ons geen plek waar wij onze opvattingen ten beste kunnen geven over de Bijbel in prediking en kerkelijk leven. Want daar spreekt God en Hij doet wat Hem behaagt. Wij geloven en belijden daar de gemeenschap der heiligen onder een open hemel, en zonder kerkmuren.

 

Levenswandel

Krachtens het getuigenis van de Reformatie kunnen we in de kerk elkaar alleen maar mee nemen naar God en naar het eeuwig zalig leven. Dit opent perspectieven voor ons handelen en wandelen in de praktijk van elke dag. Daarin dragen wij niet de kerk mee, maar zij draagt ons, en alleen zó dragen wij het evangelie uit. Tot verheerlijking van God en tot zaligheid van onze zielen én van allen die aan ons getuigenis gehoor geven. Onze God is in de hemel en wij zijn hier op de aarde.

Als geen ander weten reformatorische christenen hun plaats in de kerk en zó daarbuiten. Onze wandel is in de hemelen (Matth. 5 : 16) en van daaruit ontvangen wij de nodige navigatie op de aarde. Alleen op deze wijze laten we ons licht schijnen in de wereld.

 

De domineeszoon en tegenwoordig atheïstische conferencier Freek de Jonge komt tot een opmerkelijke en onthullende analyse in zijn bijdrage in het Land van Domineeskinderen: “We zijn steeds horizontaler gaan leven, het verticale is volstrekt geridiculiseerd. Maar wat er allemaal met het badwater is weggegooid! Neem de gemeenschapszin, dat je bij elkaar komt op zondag… Ik heb dat nu in het theater, mijn substituut voor de kerk.”

 

Ons reformatorisch verstaan van de kerk doet ons God bedoelen zonder ook maar op een enkele wijze eventueel onze eigen doeleinden na te jagen. Wij zijn er maar al te zeer van overtuigd dat deze laatste eventuele mogelijkheid zou raken aan het zich vergrijpen aan God zelf. Op geen wijze wensen we ons daaraan schuldig te maken op straffe van het verkwanselen van onze ziel en zaligheid.

Reformatorische mensen kunnen niet hoog genoeg opgeven van de kerk, omdat zij van hemelse allure is. Alles wat dan ook enige geestelijke statuur heeft, is kerkelijk in alle opzichten. Alleen op deze wijze hebben wij zicht op God, op onszelf en op de wereld om ons heen.                               

De kerk garandeert wereldwijde visie, zij alleen! Eensgezind treedt zij op in de wereld en houdt zij tegelijkertijd toch de wereld buiten de deur. Alleen zó wijst zij in onze wereld naar Christus, die de deur is naar God en naar het eeuwig zalig leven.

                                              

De eensgezindheid en gemeenschapszin van de kerk vormen daarom hét medicijn in onze tijd tegen de uiterst ver doorgevoerde individualisering van het maatschappelijk leven die alleen maar leiden kan tot een hopeloos lijden in eenzaamheid en wanhoop.

 

Tracy Chevalier laat in haar roman Vallende engelen zien dat het postmoderne ongeloof een goed bedoelde poging tot nabijheid en gemeenschap onmogelijk maakt: “ ‘Dank je dat je bent gekomen, juffrouw Coleman’, zei ik toen we naast elkaar bij het graf stonden. ‘Ik vind het verlies heel erg. Het is voor ons allemaal een grote schok geweest. Maar je moeder is nu bij God’. Ik knipperde snel met mijn ogen en keek naar de grond. ‘Mijn moeder geloofde niet in de hemel’, zei Maude. ‘Dat weet u.’

 

Verkiezing

Om deze reden van gemeenschapszin en eensgezindheid zullen reformatorische christenen zich niet laten verleiden tot eigenmachtig handelen naar eigen keuze, want zij leven uit het heilzaam verkiezend handelen van God. Van daaruit verkiezen zij zelfverloochening boven de verloochening van hun Heere en Heiland Jezus Christus, die, voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht.

Zó gezien en zó beleden komt alles wat we in de kerk van de Reformatie organiseren onmiddellijk voort uit een organische eenheid. Daarvan zijn we overtuigd en daarom kunnen we ook alleen zó overtuigend kerkelijk handelen.

Niet wij maken in de kerk de dienst uit, maar onze God in de bediening van de verzoening. Alleen zó blijft de Reformatie van de kerk in de zestiende eeuw reformerend doorwerken tot in onze tijd toe. Zo bewaren wij de eensgezindheid in de gemeenschap der heiligen van alle eeuwen en plaatsen.

 

Grensverleggend

Daarbij is onze verwondering over Gods genade steeds grensverleggend en grensoverschrijdend in de richting van de hemel en alzo ook op de aarde met alle praktische gevolgen van dien. Eensgezind houden we in onze eigen tijd de verwondering gaande omdat zij ons staande en gaande houdt.

Zo gaat het ons om het werkelijkheidsgehalte van de kerkelijke gestalte van de Hervorming, die ook vandaag dáár is waar het Woord van God is.

Niet ziende en nochtans gelovende, houden wij koers in de branding van deze tijd. Bij tijd en wijle valt het zwaailicht van de Geest over en in en vanuit het Woord van God en zien we even de haven der rust. Eensgezind zetten we onze reis daarheen voort en waken er voor dat niemand buiten de boot valt. Immers, alleen het schip van de kerk heeft het veilig strand voor ’t oog.

 

Luctor et emergo – Ik worstel en ontkom

 

Zo zal de kerk in onze tijd in het oog vallen. Omdat zij er nu eenmaal en andermaal en voor eeuwig tussenuit springt.



 

                                         

Bevindelijke prediking

                                                                                                                                         

De ervaring of bevinding in het geestelijke leven weerspiegelt het eeuwigheidskarakter van dit leven en is daarom kenmerkend voor het leven van een christen. Wanneer men dit niet begeert, weert  of negeert, is men op de vlucht voor de eeuwigheid. Of men geeft er blijk van niet te verstaan dat er een rechte lijn loopt van de preekstoel naar de rechterstoel van God (G. Boer). Het is van het grootste belang in en onder de bediening der verzoening te verstaan dat we verloren mensen zijn die het licht van Gods heiligheid niet kunnen verdragen, tenzij het bloed van de verzoening onze zielen reinigt en heiligt. Zonder deze ervaring leiden we een pseudo - christenleven en bedriegen we onszelf voor de eeuwigheid. Deze ervaring weerspiegelt op haar beurt de inhoud van het geloof, dat gegrond is op de Heilige Schrift. Zij is geloofservaring, maar daarom niet minder ervaring. Geestelijke ervaring staat garant voor het contact tussen God en mens. En zij wordt beleefd als gemeenschap en omgang met God. Gereformeerde theologie, die hier niet van doordrongen is, verliest haar bestaansrecht. De theologie van Karl Barth is hier in hoge mate debet aan. Zij heeft vandaag haar duizenden verslagen in het neo-kohlbruggianisme.

Schijn                                                                                                                                                         Doorgaans zijn we dan in de gemeente te lief geworden om de liefde van God te kunnen  vertolken. Levende leden van zo’n gemeente ervaren dit als een schijnbeweging van het leven met God, omdat het eeuwigheidskarakter dan afwezig is. Het elkaar zo veel mogelijk behagen heeft dan de plaats ingenomen van het goddelijk welbehagen. Uiteraard is deze schijngestalte van de gemeente binnen afzienbare tijd gedoemd te verdwijnen. De doodskiemen van dit proces worden zichtbaar in een zo lang mogelijk pseudo-missionair bezig zijn. Als het God behaagt daarin verandering te brengen, wordt dit ervaren als een wonder van genade. Binnen dat wonder tekent zich de genade af, die verbindt met God en met elkaar. Als dit wonder geen plaats vindt, wordt de situatie ervaren als onhoudbaar. Daarin kan God alleen verandering geven.



Verzadiging of leegte                                                                                                                 

De bediening van het Heilig Avondmaal lijdt een kommervol bestaan als er geen honger en dorst is naar de gerechtigheid van Christus. Als teken en zegel op het Woord mogen we proeven en smaken dat de Heere goed is. Als een ervaarbaar gegeven van Hogerhand. Honger en dorst worden dan ervaren in een van nature noodlijdend bestaan zonder God. Ziel en lichaam hijgen naar God in een dor en dorstig land, waar niemand lafenis kan krijgen. Daar en dan moet er een wonder gebeuren, anders gebeurt er niets dan dat er zich een formele liturgische gang van zaken voltrekt, die ons zou doen omkomen bij een aangerichte welvoorziene tafel. Juist daar mogen we proeven hoe zoet de gemeenschap is met Christus in Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. Geen honing kon het gehemelte beter smaken in de verzoening door voldoening. Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, en deze drinkbeker is de gemeenschap met het bloed van Christus. Hoe ‘zoet zijn mij Uw redenen geweest’ (Psalm 119 : 52) als verzadiging van vreugde door mijn ziel tintelt en de hemel zich openbaart in mijn hart. Je zou daar willen blijven in de stille gemeenschap met Christus en met allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Een ervaring rijker in een arm zondaarsbestaan. “Mijn God, ik zal U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan” (Ps. 52 : 7). Een ware hartversterking voor onderweg. Anders zou voor ons de weg echt te veel zijn. Als we dit niet ter plekke ervaren, ervaren we een leegte die schreeuwt om vervulling en verzadiging. Als het goed is. Omdat God goed is. Soms voedt God de Zijnen aan tafel met honger en dorst om hen op te voeden in de kennis en de  genade van onze Heere Jezus Christus. Ontberen doet dan waarderen.

 

Ontdekking bedekken

Gebrek aan ontdekking staat de bedekking met het bloed der verzoening in de weg. Er is genade voor de grootste van de zondaren, maar er moet wel plaats voor zijn. En het is genade als God er plaats voor maakt. Waar een en ander niet wordt beseft, ervaren we een huilende wildernis, waar de afgrond roept tot de afgrond. Deze afgrondelijke kerkelijke nood doet roepen tot God of met stomheid geslagen zijn. In de kerk hebben we dan niets meer te zeggen, terwijl we gewoon doorpreken en spreken, omdat we nergens erg in hebben. Geen wonder dat de wereld buiten de kerk dan niets meer hoort of merkt van het nieuwe leven. En wel omdat dit er dan niet meer is. Het onleefbare klimaat in de kerk wordt dan gewoon zo veel mogelijk in leven gehouden. Zo bedekken we het gebrek aan ontdekking, als er noch van het ene noch van het andere sprake is in de bediening van het Woord. Maar dan heeft de Kerk eigenlijk niets meer te zeggen, tenzij God gaat spreken. Maar dit laatste begrijpen we niet, omdat we een en ander hebben vereenzelvigd. Een geesteloos gedoe en een geesteloze bedoening moeten uitkomst bieden waar deze niet is. En mogelijkerwijze nooit meer zal komen. Want voorbij is voorbij, naar een woord van Luther. Maar doorgaans hebben we er geen erg in, en daarom hebben we er ook geen last van. Onze ervaringswereld is vol met de dingen dezer dagen en het enige nodige heeft volgens ons echt wel onze aandacht. En zo leven we het levenloze leven zonder God. Een leven, waarin de hemel niet verkwikt en de hel niet verschrikt. Een aangrijpende en ingrijpende ervaring voor een levend mens, die daardoor een stervend bestaan leidt. En lijdt, bij gebrek aan gemeenschap der heiligen.

Niets te zeggen

De enige troost in leven en sterven zal in de bediening der verzoening op een doorleefde wijze bevindelijk worden vertolkt als de Kerk wezenlijk aan het Woord is. Daarbuiten heeft ze eigenlijk niets te zeggen. Onzegbare woestijnen van woorden moeten vaak onbewust verhullen dat er eigenlijk niets te zeggen is. Hele geslachten worden vaak gevormd door en in een woordenbrij zonder God tot de rampzaligheid zich voor eeuwig aandient. Een schreeuw naar de hemel als een aanklacht tegen allen, van wie God moet zeggen: ‘ik heb u niet gezonden (Jer. 29 : 9) en ‘ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij!’ (Mattth. 7 : 23). Daarom is voorspelbaarheid in de prediking wezensvreemd aan deze geestelijke spankracht. Deze staat immers te trillen onder de hoogspanning van de genade voor ieder die in het duister dwaalt. Het licht van het Woord verdrijft het licht van de rede naar het rijk der duisternis. In het licht van dit Woord kan een terugblik worden ontvangen en een vooruitzicht.

Blaise Pascal (1623 – 1662) zei het al: ‘Het is het hart, dat God voelt en niet het verstand. Dat is geloof’

   

                                                     

                                                        Rafelranden

 

Het lijkt er op dat de secularisatie ook in reformatorische kring toe slaat, zichtbaar in de vele „verborgen Franca Treurs.” Ik  stel dat de ontkerstening van Nederland aan de kerk te wijten is, omdat deze vaak geen zoutend zout meer is. Indringend roep ik op tot een terugkeer naar het belijden en vertolken  van de Reformatie, met zijn nadruk op de rechtvaardiging door het geloof, de nauwe band tussen Woord en Geest en de prediking als bediening der verzoening.

Het terrein van het reformatorisch kerkelijk leven wordt naar het zich laat aanzien grotendeels beheerst door orthodoxisme en evangelicalisme. Met orthodoxisme doel ik op een dode rechtzinnigheid en leerstelligheid, die zich mijns inziens uiten in een „voorspelbare prediking” en het steriel vastleggen van de werkingen van de Geest in vaste patronen. Het houdt allerlei vormen vast zonder leven, als een platform in de algemene genade waarop de Geest zou moeten landen. Het lijkt heel wat, maar verspreidt de doodslucht van een lijk dat op den duur de algehele ontbinding en verdwijning nabij is. Het klinkt scherp, maar het is een verkapt arminianisme dat zich als rechtzinnig manifesteert. Niets minder dan de mijns inziens vervloekte derde weg in de gereformeerde gezindte, terwijl er toch maar twee wegen zijn. En dat om hen die van buiten komen maar een plaats te kunnen geven waar ze tot rust kunnen komen, om zo een ‘toeleidende weg’ te vormen naar de kerk. Al weer!  En nu op een andere manier! Een onvoorstelbaar gebrek aan inzicht. Terwijl het heel indrukwekkend lijkt.

Ter linkerzijde maakt de kerk gebruik van „het zachtjes glijdend bootje van het vroegere doperdom.” Ik doel hiermee op de geestelijke ‘outfit’ van vele evangelische bewegingen, in en buiten de kerk, met hun „geloofsactivisme en heiligingsdeterminisme.” Het huidige Nederlandse evangelicalisme (vgl. de beweging rond ‘mozaïek’) lijkt op een ‘dopers’ vooruitgrijpen op de toekomst, en daarmee op een miskenning van Gods hand in de geschiedenis.

Kenmerkend voor de leer van de Reformatie was een nauwe eenheid tussen Woord en Geest. In een groot deel van de reformatorische kerken in Nederland wordt het Woord te veel losgemaakt van de Geest. Het grote gevaar bestaat dan dat men de beloften van God verstandelijk aanneemt zonder het werk van de Geest. Het gevolg is een geesteloos activisme. En daarvoor dient men niet minder beducht te zijn dan voor de lijdelijkheid.

De evangelischen of wat daarvoor moet doorgaan, aan de andere kant, leggen de nadruk op de Geest. Met alle mogelijke vormen van „geestdrijverij”, zoals het opnieuw aandacht vragen voor de Geestesgaven, worden alleen de doodsheid en ingezonkenheid van veel gemeenteleven bevestigd. Omdat men uitgaat van een ongelofelijke gearriveerdheid: we zijn in Christus en nu verder!

Het oude arminianisme maakt zich op grote schaal breed, zowel bij links als bij rechts. Ik verwijs naar ontmoetings- en jongerendagen in evangelische stijl. „Opwekkingsliederen en nagebootst opwekkingsleven blijven niet zonder effect. Men beseft niet meer dat een en ander vaak op arminiaanse leest is geschoeid. Men kent de geschiedenis van de kerk niet meer. En wat niet weet wat niet deert.

Let op de nauwe band tussen rechtvaardiging en heiliging in de Reformatie. Op heel subtiele wijze worden deze twee echter weer uit elkaar gehaald, zoals destijds gebeurde bij Rome en het doperdom. Dan gaat het om de beide fronten waarop de Reformatie streed. Fronten die vandaag weer uiterst actueel zijn. De rechtvaardiging is volgens Luther het leerstuk waarmee de kerk staat of valt. Gevreesd moet worden dat de kerk met rasse schreden wordt teruggevoerd in de slavernij van het ‘diensthuis’ van de Wet.

De evangelische beweging hoeft de Reformatie ook niet aan te vullen, want wat zij aan waardevols zou mogen hebben, is in de Reformatie allang gegeven en daar evenwichtig geïntegreerd. Als gereformeerden kunnen wij niets leren van de zogenaamde ‘evangelischen’, maar we hebben samen opnieuw in de leer te gaan bij de Reformatie. Maar dit lijkt onbegonnen werk, omdat het woord ‘genade’ dan opnieuw zal moeten worden gespeld. Dit zou niets minder betekenen dan een hernieuwde Reformatie voor gereformeerden én evangelischen. Een terugkeer tot de grondnoties van de Reformatie mag echter niet op een simpele en steriele wijze gebeuren. Omdat we zelfs het alfabet dienaangaande kwijt lijken te zijn.

Zeer te  betreuren valt de versplintering van de kerk. De kerk van de Hervorming is opgesplitst in vele delen. Er is een zondige en schuldige gebrokenheid, die heel subtiel gestabiliseerd en gelegitimeerd lijkt zijn. Maar die wordt erger zo gauw mensen een kerk gaan formeren. Alle maakwerk leidt  tot breekwerk, en dan moet verwezen worden naar de scheuring binnen de Nederlandse Hervormde Kerk in 2004. En naar de scheuring in de Christelijke Gereformeerde Kerken vandaag. God geklaagd! Maar dat liedje is niet opgenomen in het liedboek van de kerken. Zelfs de wijs brengt ons van de wijs. Wat is wijsheid? De dwaasheid van het evangelie!

Ik heb mijn twijfels bij een institutionele vorm van eenwording. Waarschijnlijk heeft dit onbewust te maken met een vorm van compensatie vanuit een gemeenschappelijk onbewust kerkelijk schuldcomplex. Kerkelijke romantici vergeten doorgaans dat er nooit één reformatorische kerk in Nederland is geweest in de geestelijke zin van het woord. Vanaf het begin zijn er dwaalgeesten geweest en was er het verschil tussen de ”rekkelijken” en de ”preciesen”. Om precies te zijn.

Geloven we nog dat het Woord van God in de bediening van de verzoening de ware kerk schept overal waar het op de rechte wijze bediend wordt. Zo is er herkenning over kerkmuren heen. Daarom pleit ik voor kanselruil, en nog meer voor ‘kanselopening’. De gebroken kerk kan alleen van binnenuit genezen worden: eerst de inhoud, dan de vorm! Want de kerkelijke marges in onze geseculariseerde samenleving zijn smal geworden. Maar ik vraag me af hoe gereformeerd deze marges als rafelranden zelf nog zijn. Als de kerk bijna een randverschijnsel is geworden kan alleen genade ons redden door het geloof. En niets anders. Te vaak verschijnen er vandaag spraakmakende lieden op de rafelranden van de kerk van wie men zich afvraagt: ‘Wie is die iemand?” En het antwoord moet dan vaak helaas zijn ‘ach, hij is niemand!’

                    

     



   



        Gereformeerd belijden zet eer van God en eenheid met Christus centraal

 

INTRO:

In de gereformeerde belijdenis kan ”rust in God” nooit de plaats van ”verzoening” door voldoening” innemen. Die belijdenis zet namelijk in bij de eer en soevereiniteit van God en loopt uit op de vereniging met Christus.

 

Cors Visser, directeur van Kerkpunt, benadrukt in het artikel ”Speel verzoening niet uit tegen rust in God” (RD 3-11) de rust in God, als reactie op het artikel ”Wegglijden verzoeningsleer maakt herdenking Reformatie erg nodig” (RD 29-10) van ds. J. Lohuis. Mensen die van buiten in de kerk komen, mogen volgens hem deze rust zeker wel zoeken en ook vinden bij God. Visser moet echter niet vergeten dat wij van nature rustzoekers zijn in plaats van zoekers van de eer van God. En dit laatste is nu juist het centrale punt in de theologie van Calvijn.

In het zalig worden of de redding van zondaren gaat het dan primair om de eer van God en pas daarna –dus langs deze weg– om het behoud of de zaligheid van mensen. Calvijns theologie is echter te dynamisch om deze te vangen onder dit ene thema van de eer of heerlijkheid van God. Met net zo veel recht en reden kan gesteld worden dat de dragende gedachte van Calvijns theologie en prediking in de ”unio cum Christo” (de eenheid met Christus) is gelegen.

 

Helemaal genáde

Vanuit de bewegelijkheid van Calvijns theologiseren en preken kan worden gesteld dat de ”gloria Dei” (heerlijkheid van God) door hem structureel en steevast wordt verbonden met de ”unio cum Christo” (eenheid met Christus), als de twee brandpunten van een ellips. Als het kenmerkende van de gereformeerde prediking kan dan worden genoemd dat zij theologisch van inzet (dus bij God begint) en christologisch van opzet (dus uitloopt op Christus) is. Anders gezegd: het gaat om God en daarna, langs deze weg, om ons en onze zaligheid in Christus.

In dit belijden is genade helemaal genáde en God helemaal Gód, Die doet wat Hem behaagt dan wel zondaren roept tot het heil en heilzaam roept vanuit Zijn eeuwig welbehagen. De volharding der heiligen wordt overigens niet beleden als een ononderbroken opgaande lijn, maar als een vaak onderbroken zigzaglijn met soms scherp uitschietende pieken, zowel naar boven als naar beneden.

 

Vrije genade

De theocentrische inzet van het reformatorische belijden bij de eer van God vooronderstelt haar eerbiediging van de soevereiniteit van God, waardoor dit belijden primair alle mensen in Adam schuldig stelt voor het aangezicht van God. Deze theocentrische inzet bij de soevereiniteit of vrijmacht van God is daarmee van wezenlijk belang en bepalend voor de Bijbelse en gereformeerde genade- en geloofsleer.

Het Evangelie wordt dan ook gepresenteerd als ”Evangelie”. De mens heeft het verdiend dat God hem in zijn zonde en vervloeking zou hebben laten liggen. Maar God heeft dat niet gewild en niet gedaan en dat is pure genade. En daarmee vrije of soevereine genade.

 

Tijdgeloof

Het gereformeerde belijden ontneemt ons zodoende de vanzelfsprekendheid waarmee wij het Evangelie zouden menen te kunnen ”annexeren”, bijvoorbeeld door ”rust in God” als kernelement van het Evangelie te zien. Dit belijden is heel direct verbonden met Gods recht en genade ofwel met Zijn genade door recht. Daaruit volgt weer dat de christologie steevast in een theologische setting staat. Ze draait dus om God. Niet vanwege een logische orde maar vanwege een geestelijke heilsorde, die bij God begint en uitloopt op Christus. Daarbij krijgt de theologische inzet een christologische opzet.

De Bijbeltekst „Hij is de HEERE –de Ik zal zijn die Ik zijn zal– en Hij doe wat goed is in Zijn ogen” (1 Samuël 3:18) is dan overduidelijk een nadere bepaling van Gods doen. Op deze manier fundeert het gereformeerde belijden het Evangelie in de soevereiniteit van God. Anders zou zij het Evangelie op losse schroeven zetten om vervolgens een onzeker tijdgeloof te baren, waarmee zij dan tegelijkertijd het recht verloren zou hebben nog langer gereformeerd te heten.

 

Heiligheid van God

Calvijn focust zijn theologie op de soevereiniteit van God. Men zou Calvijn echter misverstaan als men daarin niet zou meenemen dat hij deze zelfde belijdenis van Gods soevereiniteit in brede christologische kaders plaatst. Het behoort immers mede tot de afgrondelijke crisis van ons postchristelijke tijdperk dat we buiten maar ook in de kerk nauwelijks meer enige notie hebben van de heiligheid van God. Daaraan zijn we ontzonken en daarom zo diep gezonken in pseudoreligieuze vormen en normen, die met elkaar de leegte van de afwezigheid van God uitmaken en zó invullen. Niettemin is Hij juist in Zijn afwezigheid schrikbarend aanwezig in Zijn heiligheid.

Het godsbewustzijn in de West-Europese en Amerikaanse cultuur is grotendeels omgeslagen in geseculariseerde verharding en heeft, sterker dan men zich doorgaans bewust is, zijn weerslag gehad op het kerkelijke leven. Ongetwijfeld heeft dit te maken met de autonomie (zichzelf tot wet zijn) van de ontkerstende westerse (ook kerkelijke) mens en zijn dienovereenkomstig gewaand en verwaand onafhankelijkheidsbesef. Aanknopend bij de moderne vraag ”Waar is God?” zal de Kerk verkondigend antwoorden: „Zie hier is uw God!”


                                               



                                          Eenheid in verscheidenheid

 

Ik begrijp de radeloosheid van velen over de redeloosheid en  reddeloosheid van kerkelijke verdeeldheid, zowel interkerkelijk als binnenkerkelijk. Maar al te vaak geldt het woord van Paulus in Gal. 5 : 15 “Maar indien gij elkander bijt en verslindt, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt”. Niet alleen de Bijbel, maar ook de Kerk der eeuwen kan ons hier de weg wijzen.

In een brief aan Bullinger schrijft Calvijn over Luther: “Ik hoor dat Luther tenslotte niet alleen tegen U, maar ook tegen ons allen met vreselijk schelden is uitgevaren. Het is op zichzelf een zeer treurig verschijnsel, dat wij, die slechts weinigen in getal zijn en aan alle kanten door vijanden bestookt worden, door een strijd in eigen boezem tegenover elkaar staan, want op een ongelegener tijdstip kon het daartoe niet komen… (Corp. Ref. Vol. XXXIX, kol. 774).”

Betrekkelijk

In ieder geval wordt een en ander betrekkelijk gemaakt door eventuele vragen te betrekken op de spoedige openbaring van het koninkrijk der hemelen bij de wederkomst van Jezus Christus. Met het oog daarop en op Hem mag het een vraag zijn: “Hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid (2 Petr. 3 : 11).”

Getekend

Voor wat betreft reformatorische mensen mag hun plaats op de kaart van kerkelijk Nederland vóór alle dingen opvallen door hun heilige wandel en godzaligheid, omdat zij in hun persoonlijk en kerkelijk leven de voortzetting begeren te zijn van het leven van de kerk der eeuwen. Niet de dingen dezer dagen in het zich alom aandienende kerkelijke leven, maar de dingen van het koninkrijk van God hebben hun hart en houden dit op de juiste plaats. Daarom wensen zij in alle dingen volmaakt te leven. En daarom zien ze ook in het kerkelijk leven niet aan wat voor ogen is. Alles is betrekkelijk met het zicht op de eeuwigheid. Met de apostel Petrus gebruiken zij dan de geladen woorden: ‘voorbijgaan, branden, en vergaan’(2 Petr. 3 : 10). Zij zijn daar zodanig persoonlijk en direct bij betrokken, dat voor hun besef, dat wat te gebeuren staat, zich nú al bezig is te voltrekken.

Cultuur

Soms zien wij vanuit het toenemend aantal vuurhaarden, met name in het Midden-Oosten, een wereldbrand oplaaien als nooit te voren. En met een gescherpt oog nemen wij ontbindingsverschijnselen waar in kerk en maatschappij. Dit maakt ons de apostolische vermaning voortdurend indachtig: “Omdat dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid”.

Herkenbaar

Het Petruswoord ‘de rechtvaardige zal nauwelijks zalig worden’ (1 Petr. 4 : 18) staat ons voortdurend voor ogen, omdat het hier duidelijk om een hoofdzaak gaat. Dan worden alle bijzaken zo ongelofelijk betrekkelijk dat ze eigenlijk in het niet verdwijnen. Want het verzoende leven is hier en nu al een weerspiegeling van datgene wat in de toekomst van hun Heere en Heiland ten volle zal worden geopenbaard. Nu al tekent het beeld van Christus zich af op hun hele wezen, want ze zijn naar lichaam en ziel het eigendom van hun getrouwe Zaligmaker, die met zijn dierbaar bloed voor al hun zonden volkomen betaald heeft en hen door zijn Heilig Geest van het eeuwige leven verzekert.    Straks zullen ze naar lichaam en ziel Hem gelijk wezen. Daarom is de leer, die naar de godzaligheid is, hun leven (2 Tim 6 : 3). Een heilige wandel en godzaligheid zijn voor hen kenmerkend.

Eenzelfde geloof

En onze kerkelijke naasten zijn ons dan het méést naast, maar ook allen die een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben (2 Petr. 1 : 1). Zij begroeten elkander in een heilige wandel en godzaligheid. En zij wijzen terloops naar boven, terwijl hun voeten gericht zijn op het pad des vredes, want al hun paden zijn vrede (Spreuken 3 : 17), daarmee de wijsheid betrachtend die van boven is. Deze is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeglijk, vol van barmhartigheid, en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd (Jak. 3 : 17).

Ten dele

Wij hebben ondertussen altijd weet van eigen tekort en eigen gebrek en vooral zijn we overtuigd van het ‘ten dele’ in deze bedeling (1 Kor. 13 : 12). En daarom luisteren wij door alle betrekkelijke zaken heen tot op de apostolische en profetische boodschap en wij vangen de belijdende klanken op van de eerste christengemeenten. Zij raken ons hart en ons leven.

Katholiek

Wij zijn ons echter wel terdege bewust dat Gods waarheid door allerlei bewegingen en stroomversnellingen in de geschiedenis zodanig is samengevouwen of uit elkaar gehaald, dat vertekeningen of verkleuringen mogelijkerwijze niet achterwege zijn gebleven. Wij oriënteren ons daarom steeds opnieuw aan onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 27: “Wij geloven en belijden  een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering van de ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.” De onbevangenheid van de liefde van God en tot God doet ons opnieuw luisteren en onbevooroordeeld afwegen of er mogelijk wegen gevonden kunnen worden, waarlangs onze voeten kunnen gaan, geschoeid met de bereidheid van het evangelie des vredes (Ef. 6 : 14). Het vredesleven met God in de verzoening door voldoening doet ons verlangend uitzien naar de volmaaktheid van straks en nu reeds in beginsel met allen die onze Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid (Ef. 6 : 24). Wij zijn er van overtuigd dat de vleeswording van het Woord het geheel eigene van God verbindt met het specifiek eigene van de zeer verscheiden karakters van mensen in de loop der eeuwen en in de lijn van de geslachten. Met ontelbare lichtvlakken weerkaatst de parel van grote waarde (Matth. 13 : 46) de heerlijkheid van Gods genade. Het licht van Gods heerlijkheid in het aangezicht van onze Heere Jezus Christus schittert in talloze onderscheiden harten en in zeer verscheiden levens van allerlei mensen. Hier en overal.  Afgestemd op Gods heerlijkheid in zijn genade stemmen we in met allen die Hem ootmoedig vrezen. Diverse stemmen en onderscheiden stemmingen ten spijt belijden wij de eenheid in verscheidenheid. In ieder geval gelijkgestemd als het gaat over de schrik des Heeren (2 Kor. 5 : 11) en de rijkdom van zijn genade (Ef. 2 : 7). En eensgezind bewegen wij onderscheiden mensen tot het geloof.

Eenheid

Levend vanuit de rijke erfenis van de Kerk der eeuwen en van de Reformatie reiken wij elkaar de hand over kerkmuren heen. We beseffen elkaar over en weer nodig te hebben als we niet stroomafwaarts mee willen drijven met de geest van de tijd naar de afgronden van het huidige ontkerstende leven zonder God, maar stroomópwaarts gaan als levende vissen. De hopeloze maatschappelijke versplintering vanwege het overheersende subjectieve levensgevoel noopt ons tot eenheid in verscheidenheid. Naarmate wij geconfronteerd worden met vijandige machten van allerlei aard, sluiten wij de rijen. Wij beseffen dat het nu, in het laatste der dagen (2 Petr. 3 :3) er op of er onder gaat. Verdeeldheid kunnen we ons eenvoudig niet permitteren, laat staan dat we deze al ooit zouden begeren. Eenheid in verscheidenheid begeren wij in een heilige wandel en godzaligheid.

Samenwerking

Daarom werken wij graag zo veel mogelijk samen in het onderwijs - tot en met de universiteit – en wij slaan eensgezind de handen ineen in allerlei sociaal werk. En eensgezind bestrijden wij de tweedracht op elk terrein.

Heelheid

De persoonlijke beleving van eigen zwakheid drijft ons naar God en naar elkaar en we laten ons onder geen beding uit elkaar drijven. Alle kerkelijke en religieuze golfbewegingen of stroomversnellingen ten spijt. De Reformatie heeft wat dit betreft geweten van de nood der tijden en wij hebben daar vandaag niet minder weet van als het goed is. Als reformatorische belijders stappen wij heen over drempels, die opgeworpen zijn tegen het wassende water van het moderne ongeloof, en we overschrijden diepe scheuren in de grond die ontstaan zijn vanwege een zeer grote geestelijke droogte. Eenheid in verscheidenheid overbrugt. Soms gaat het om noodbruggen, maar alles liever dan een gescheiden wegzakken in het moeras van de huidige Godverlatenheid. In een heilige wandel en godzaligheid kruipen we naar elkaar toe in dit laatste uur, waarbij het nachtelijk duister zich over ons volk en ons kerkelijk leven legt. Heroriëntatie vanuit de Reformatie achten wij steeds weer geboden! Voortdurend zijn we er op bedacht elkaar niet kwijt te raken op weg naar de toekomst van de Zoon des mensen (Matth. 24 : 27, 37, 39). Met het oog op heel de kerk bewaren wij de eenheid in verscheidenheid.

                       

 

                                        In de stad mag je wezen

Gods verkiezing tot zaligheid blijkt in de stad een uitverkoren project te zijn. Een spannend gebeuren van begin tot eind. Traditionalisme of activisme zijn daar contrabande als wezensvreemde elementen in het werk van God. Zij zuiveren zichzelf uit onder  de bediening van de verzoening. Het is in de stad alles of niks. Als oud-predikant van de Maranathakerk in Rotterdam heb ik dit vijftien jaren lang ervaren als een wonderlijk gebeuren. De Reformatie en de secularisatie zijn dan tastbaar aanwezig. Het is of het een of het ander. Een wonderlijk gebeuren in alle opzichten. Dat moet je meemaken anders snap je er niks van. Tegelijk een bijzonder voorrecht om het mee te maken. Een stukje bevinding in de werkelijkheid van onze kerkelijkheid. De missionaire werfkracht tekent zich af in een ongekende sterfkracht. En zo staat de gemeente in de stad Rotterdam op tot het eeuwig zalig leven. En wel in alle facetten van het dagelijkse leven. Een machtig en prachtig gebeuren.

Ik stond enkele weken geleden op de dertiende verdieping van een woontoren vlak naast de Laurenskerk in hartje Rotterdam. En keek naar beneden op ‘het laag en nietig aards gewemel’(Psalm 113 : 4). Te midden daarvan die machtige en prachtige kerk. Ja, daar zag ik de Bijbelse prediking gebeuren. Te midden van al dat steen neemt God ook vandaag stenen harten weg en geeft mensen vandaag een vlezen hart.

Kijk, zo worden De Dordtse Leeregels als de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten een belijdende onderstreping van het genadekarakter van het geloof. Zo worden verkiezing en verwerping van eeuwigheid beleden. Ook in de stad. Juist in de stad. De stedelingen zullen bloeien (Psalm 72 : 9). Wezenlijk niet anders dan in de provincie. Contextueel lijkt in de stad de notie van het verbond meer op afstand te staan, omdat er minder sprake is van een doorgeven van het geloof van geslacht op geslacht. Grote mutatieverschillen in een stadsgemeente zijn hier uiteraard debet aan. Op een originele wijze krijgt het genadeverbond gestalte door en vanuit de prediking van vrije genade, betekend en verzegeld in de Heilige Doop. Dit laatste correspondeert met de ‘Dordtse’ verkiezing en de verwerping. Vrije genade, vanuit de vrije gunst die eeuwig God bewoog, beheerst en structureert de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze. In actuele prediking en eigentijdse taal krijgt God alleen de eer in het zalig worden van zondaren. Dat is de kern en de naaf van de verkondiging. Daar gaat het om en daar draait het om. Prediking vanuit het eeuwig welbehagen is als een scherpsnijdend zwaard dat dwars door de gemeente gaat en dwars door ons eigen hart. Hoogst individueel en tegelijk gemeenschap (der heiligen) vormend. Het verbond van de genade krijgt zijn contouren in de gemeente. Het gemeente-zijn staat daarbij onder spanning, niet van het verbond, maar van de prediking van Gods verkiezend welbehagen. Pure goddelozen uit een stadse leefwereld worden heiligen, en heiligen (gedoopt en wel) worden goddelozen. Goddelozen in de beleving, die gaan leven van vrije genade alleen, of goddelozen in de uitleving. Dit laatste komt aan het licht als godsdienstige mensen zich stoten aan de prediking van vrije genade, en daarmee zich stoten aan Gods verkiezing van eeuwigheid. Daarbij doemt soms de gedachte op: “waartoe ze ook bestemd zijn (1 Petr. 2 : 8)”. Gemeente zijn in de stad bevindt zich op het scherp van de snede. Vanwege het scherpe tweesnijdende zwaard (Hebr. 4 : 12) van het Woord Van God.

   

                        Christelijk gereformeerden verenigt u

Graag enkele overwegingen ter bemoediging van onze christelijk gereformeerde broeders (en zusters) in de verdrukking. Als het gaat om kerkelijke verbinding en praktische verbondenheid dan zal dit altijd gestalte krijgen binnen de vreze des Heeren. De moraal van ‘hoe het allemaal moet en niet moet’ laat het hier ten enenmale afweten. De ouwe-jongens-krentenbrood-mentaliteit in een nostalgische verpakking schiet te kort. Principiële broeders zullen blijven bij hun principe als dit maar gestalte krijgt in een waarachtig geestelijk leven. Anders valt alles als los zand uit elkaar. En het huis, dat daar op gebouwd, was stort in. Daar gaat het om. Want leuke praatjes vullen geen gaatjes. Laat staan het gapende gat van het kerkelijke wantrouwen momenteel in de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het zal er om gaan of het Woord aan het woord komt! En dat Woord is meer dan een verzameling geboden en verboden. Daarover ging het in de Reformatie, daarover gaat het ook nu.

 Dan gaat het er om niet aan te zien wat voor ogen is, want dan staren we ons blind op de voorhanden werkelijkheid. Anders gezegd, het gaat er om niet hoe wij de zaken zien, maar hoe God het ziet. Calvijn wijst er de Dopers op, dat de kerk een ‘corpus permixtum‘ is (gemengd lichaam): “Tot op de laatste dag van het oordeel zoeken zij tevergeefs een zuivere en reine kerk: “Evenals het dus nodig is, dat we een onzichtbare, alleen voor Gods ogen waarneembare kerk geloven, zo wordt ons geboden deze, die ten aanzien van mensen kerk genoemd wordt, hoog te achten en gemeenschap met haar te oefenen”. De moraal van wat ‘er moet en niet moet’ is hier niet doorslaggevend, maar de Bijbelse theologie aangaande de ware kerk. Wie niet leert van de geschiedenis is gedoemd haar over te doen. Dit dreigt als we ons alleen wapenen met weemoedige gedachten. Dan komen we zelfs in de buurt van heiligschennis. Het gebrek aan tucht gebruiken we dan als gelegenheid om ons af te scheiden (Augustinus en Calvijn).

Het gaat in de huidige kerkelijke situatie om wezenlijke verbondenheid met Christus in de rechtvaardiging van de goddeloze, het artikel waarmee de kerk staat of valt (Luther). Alle andere pogingen tot verbroedering zijn als niet en ijdelheid. Dit leert de geschiedenis in het licht van de Heilige Schrift. “Dezelfde afwijkingen vernieuwen vandaag de Dopers (tegenstanders van de Reformatie destijds), omdat zij menen dat het geen ware kerk is, die gebreken verdraagt. Maar niet tevergeefs eist Christus de taak om de schapen van de bokken te scheiden voor Zichzelf op. Veel meer leert Hij, dat men kwaad, dat men niet verbeteren kan, moet verdragen totdat de rijpe tijd van de zuivering aanbreekt. Tegelijkertijd echter worden de gelovigen bevolen, ieder voor zich moeite te doen om de Kerk Gods van verdorvenheden te reinigen”(Calvijn). Nou, dat mogen we ons voor gezegd houden!

Een louter menselijk  dan wel vleselijk volmaaktheidsideaal is in feite gebaseerd op een verkeerd heiligingsbegrip. Gezelligheid is aardig, maar zaligheid duurt langer. Calvijn zegt heel raak “Wij mogen in deze wereld niet zoeken naar een kerk zonder vlek of rimpel. En wij mogen deze titel niet onthouden aan elke vergadering waarin niet alle dingen met onze wensen overeenkomen”. Waarvan acte! Het zal je maar gezegd worden.

In feite gaat het in de huidige beroeringen in de Christelijk Gereformeerde Kerken om het geestelijk verstaan van het sola Scriptura (alleen door de Schriften). Alle menselijke moralistische overwegingen schieten hier wezenlijk tekort als ijdel geklap, soms in een aandoenlijke verpakking. Immers God bewaart Zijn Kerk! Nogmaals Calvijn: “En toch hebben zij (Jesaja, Jeremia, Joël, Habbakuk) geen nieuw kerken opgericht, maar hoe de mensen ook waren, toch hieven zij, omdat zij bedachten dat de Heere bij hen Zijn Woord in bewaring gegeven had en de ceremoniën ingesteld had, door welke Hij daar gediend werd, in het midden van de vergadering der goddelozen, reine handen tot Hem op”. Dat is een moraal van ‘’zo moet het en zo moet het niet’ maar Bijbelse taal! Daarmee zijn onze broeders en zusters in de Christelijke Gereformeerde Kerken gediend. Het is te wensen dat ze er ook van gediend willen zijn. Want het gaat om Hem, die ook onder hen is als een die dient!

Het komt er nu op aan dat onze christelijk gereformeerde broeders  zich in de huidige situatie christelijk en gereformeerd gedragen.

Zij, die met Christus gekruisigd zijn en worden in andere kerken, bidden met en voor hen. Wees getroost, het zal eenmaal worden één Herder en één Kudde. Kom Heere Jezus, ja kom haastig!

                                                     



                                                    De ware kerk 

 

De geestelijke ‘outfit’ van vele huidige evangelische bewegingen, in en buiten de kerk, met hun geloofsactivisme en heiligingsdeterminisme, getuigt van weinig of geen historisch besef. De ecclesiologie (leer van de kerk) van de Reformatie staat immers in een historische context, waarin wij duidelijk Gods hand in de geschiedenis van ons land zagen en als zodanig ook beleden. Wegstervend historisch besef en een verdwijnend kerkelijk besef hebben dan ook alles met elkaar gemeen.

Om dit duidelijk te maken zou ik het kerkbegrip vanuit de Schrift en de Reformatie dynamisch willen aanscherpen rondom de drie sola’s. Immers de kerk werd hervormd rondom en binnen de dynamiek van het ‘sola scriptura’, het ‘sola gratia’ en het ‘sola fide’. Dit is ook de intentie van de artikelen 27 tot en met 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Zo gezien is er nooit een geheel zuivere nationale Kerk van de Hervorming (die aanvankelijk Gereformeerde Kercke heette) geweest, en anderzijds bestaat de Kerk van de Hervorming in ons land nog altijd, maar dan in een gebroken gestalte. Ten aanzien van deze gebrokenheid staat zij op gespannen voet met de katholiciteit van de kerk, die door de Reformatie onverkort werd beleden met de hervorming van de éne kerk.

Het geding met de huidige evangelische stromingen dient daarom geplaatst te worden in het kader van het geding dat de Reformatie aanspande met de kerk van zijn dagen én met de doperse stromingen daaromheen. En dan zou het huidige Nederlandse evangelicalisme wel eens een dopers vooruitgrijpen kunnen blijken te zijn in eschatologisch opzicht en een dienovereenkomstige miskenning van Gods hand in de geschiedenis. Dit evangelicalisme zou daarom wel eens meer te maken kunnen hebben met het postmoderne individualisme, dan met het katholiciteitsbegrip van de Reformatie. Daarmee is dan tegelijkertijd gezegd dat hiermee de kerk en het christelijk geloof als zodanig in het geding zijn. En een desintegrerend geloof overleeft de tand des tijds niet. Want de katholiciteit en de historiciteit van de kerk behoren bijeen.

Tijdens de Reformatie in de zestiende eeuw kreeg  de visie op de kerk immers een ongekende historische actualiteit. Want in de strijd met Rome keerde Luther terug tot de geestelijke opvatting van de kerk met behoud van haar katholiciteit. Het kostte Luther zware strijd om met de Roomse Kerk en haar kerkbegrip te breken. Hij vond en behield ten slotte zijn vastheid in de rechtvaardiging door het geloof alleen. Vandaaruit kwam hij veel verder dan hij oorspronkelijk gedacht of bedoeld had. Luther zocht en vond zijn opvatting van de kerk ten slotte in de Heilige Schrift. Dit leidde tot een ootmoedig gelovig verstaan van de kerk. De ganse kerk bidt immers tot aan het einde toe: ‘Vergeef ons onze schulden.’ En Christus reinigt Zijn Kerk dagelijks van dwaling en zonde. Daarbij blijft ze een onderdanige zondares voor God tot aan de jongste dag en is alleen heilig in Christus, haar Heiland, door genade en door vergeving van zonden. Waar dit geloofsartikel weg is, daar is ook de kerk weg, want buiten dit geloofsartikel wil de Heilige Geest niet bij ons zijn, stelt Luther nadrukkelijk.

Vanuit het gehele gelovig verstaan van de Heilige Schrift stelt hij vervolgens dat dit geloofsartikel ‘nochtans gebleven is en het moet blijven, en of nu de wereld dol en dwaas daarover wordt, zo moet zij het toch laten staan. Want de kerk duurt voort tot het einde van de wereld opdat er altijd op aarde een christelijk heilig volk in leven zij, in wie Christus leeft, werkt en regeert én in welke daarom ook de Heilige Geest leeft door verlevendiging en heiliging’. Daarmee belijdt Luther dat uiteindelijk Christus de continuïteit van de kerk uitwijst  dan wel haar bevestigt. En niet onze geloofs- en heiligingsconceptie.

Zelfs in tijden van toorn behoudt God zich een ‘rest’ in de kerk (vgl. Jes. 1: 8). En zó zijn de gelovigen de ‘verborgen wegen’ (viae absconditae) en de ‘onbekende sporen’ (vestigia incognita) van God. Daarbij in aanmerking genomen dat God achter de geschiedenis staat en de Zijnen behoudt waar geen ‘uitweg’ is. Welnu, zó is het voortbestaan of de continuïteit van de kerk waarachtig een werk van goddelijke onderhouding, dan wel ‘een continue bewaring van de ondergang’. Geenszins ontspringt daarom de continuïteit van de kerk aan een immanente (inwonende) kracht van de kerkgeschiedenis. Veelzeggend tekent Luther hierbij aan dat historisch gezien het voortbestaan van de kerk altijd een paradox is en zijn zal. Nee, de continuïteit van de kerk wordt niet gefundeerd door de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet. Daarmee is Luthers continuïteitsvisie in wezen een continuïteitsgeloof of beter: een geloof in de goddelijke continuïteitsbeloften! Christus zou immers met Zijn Kerk zijn tot aan het einde der dagen. Treffend zegt Luther dan: ‘Het gaat niet om ónze zaak, men mag zich getroost op God verlaten.’

Het bestaan van de kerk wordt niet door menselijk doen gewaarborgd en voor de toekomst veiliggesteld, maar kan slechts door gelovig zich te verlaten op God worden verstaan. De kerk bleef voor Luther primair geloofsobject in de vigerende historische context van zijn tijd. Waar het Woord is, daar is de Kerk! En dan denkt Luther aan de rechte prediking.

Bij Calvijn is het continuïteitsbegrip van de kerk der eeuwen in wezen navenant. Alle nadruk legt hij enerzijds op de ene heilige algemene christelijke kerk en anderzijds op de plaatselijke kerk. Zijn denken beweegt zich continu tussen deze twee polen, die in principe en in wezen voor elkaar bepalend zijn. En hij denkt er niet aan het spanningsveld tussen beide op te heffen. Dat de kerk van Rome de toets van het continuïteitsprincipe van de Reformatie niet kon doorstaan, bleek voor haar daaruit dat als men het Woord onverkort preekte, er dan in deze kerk daarvoor geen plaats meer bleek te zijn, en men dienovereenkomstig uitgeworpen werd. Het continuïteitsprincipe van de Reformatie, zoals verwoord door Calvijn, kristalliseerde zich uit op Luthers excommunicatie en realiseerde zich in de doorbraak van Gods gratie.

De Kerk   is Gods werk in een historische context. Ook vandaag gaat het om Gods hand in de geschiedenis. Ons volksbestaan is ontstaan vanuit en gecultiveerd door deze overtuiging vanuit de Reformatie. Reanimatie van het wegstervend historisch besef onder ons is van het hoogste belang voor de herleving van het kerkelijk besef in ons land. Wanneer wij de kerk als Gods werk op enigerlei wijze trachten te effectueren of te corrigeren buiten de directe bediening der verzoening om, dan zijn we ten diepste bezig op een doperse wijze dit werk te elimineren. Evangelicalisme  , in en buiten de kerk, leidt op den duur in historisch perspectief  tot nihilisme.

Het luistert nauw als we ons ‘levend horen’ aan   Gods toezegging die alleen maar (sola) op een dynamische wijze zijn beslag krijgt in de huidige actuele historische situatie. En dan gaat het ook nú om Gods hand in de huidige geschiedenis van ons land.

 


Europese kampioenschappen als religie

 


Je zult maar verliezen. Vlak voor het einde. Dat is het einde. Helemaal. Klaar en uit.

Want winnen, daar ging het om! Wie wint, overwint blijkbaar. Of eigenlijk gaat het er om dat wij zelf winnen. Via de godenzonen. Of de godenzoon bij uitstek. Je weet wel. Zelf zijn we misschien loosers. En toch win je dan. En niet zomaar, nee je wordt overwinnaar. Om niet te zeggen kampioen! Vandaar die uitzinnige vreugde. Wie had het over onzinnig?! Ik…

Een ultieme vorm van de 'struggle for life'. Er op of er onder. Daartussen is niets. Letterlijk!

Dat is allemaal niet niks. Dat is alles! Dat zie je om je heen. En het luchtruim werd vervuld of vervuild met gejuich bij iedere overwinning. Alles verschoot gewoon van kleur. Oranje, blanje bleu. Of een variant daarvan. Strijdbaar, dat wel. Zeer strijdbaar. Want het ging om overleven eigenlijk. Van de godenzonen, en zo van ons natuurlijk. Buitengewoon spannend. Je zou bijna spreken van een ultieme vorm van de 'struggle for life' als je gelooft in de evolutieleer. En dat doen we natuurlijk, al snappen we het niet allemaal of helemaal niet. En als we straks zouden winnen, dan waren we er. Of nergens. Nou ja, je snapt het wel. Dan is het klaar en uit. Snap je? Nee, niet echt. En echt niet!

Want snappen we dan niet dat dit een kwaadaardige variant is op de scheppingsleer in de Bijbel? Of van de navenante herschepping? Overwinnen of overleven door de Zoon van God! Je hoort het straks aan alle kanten om je heen… ‘Handklapt en betuigt onze God uw vreugd, wees tezaam verheugd’. Het Lam dat op de troon zat overwon. En wij met Hem. Voor altijd en eeuwig. Kijk dat is het. Helemaal. En dat hoor je dan keer op keer en steeds weer: 'Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest'. In een uitzinnige vreugde. En zijn wij uitzinnig, wij zijn het voor God, zei Paulus (2 Kor. 5 : 13). Hoor maar:  ‘Hun blijdschap zal dan onbepaald (onbegrensd) door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen’(Ps. 68 : 2 ber.). Een climax dus. Bij God vandaan!

Over overwinning gesproken, nu en eeuwig. En daarom een toekomst vol van hoop. In plaats van een bal, die als een ballon uit elkaar spat … Je zult maar verliezen. Dat is alles verloren! Ja, ’t is maar waar je voor koos, of toe verkozen bent.




        Dreigende kerkelijke scheuring in chr. ger. kerken


Tijdens het symposium ter gelegenheid van het 50-jarig ambtsjubileum van dr. R. van Kooten sprak Prof. Dr. W. van Vlastuin: ‘Alle argumenten om mee te gaan heb ik twintig jaar geleden gewogen, maar mijn geweten vond geen rust’. En dit zegt een broeder met wie ik mij zeer verbonden gevoel in Christus. Hoe dan en waarin dan ? In de spiritualiteit van de gereformeerde theologie en prediking! Daar zit geen millimeter afstand tussen. Zou een kerkorde dan scheiding kunnen maken als het er echt op aankomt? Onzin. Geestelijk verstaan! Als er een brandstapel in de kerkorde van mijn kerk wordt opgericht, dan wil ik daarop terecht gesteld worden en mijn naam laten verbranden als mijn persoonlijke identiteit in Christus maar gewaarborgd blijft in mijn Heere en Zaligmaker, die uiteindelijk en tenslotte recht doen zal. Wetend dat op die brandstapel ook alle hout , hooi en kerkelijke stoppelen verbrand zullen worden. Daarom beroep ik mij op artikel 1 van de kerkorde van de Protestantse Kerk, waarin wordt aangegeven dat de Heilige Schrift de enige bron is van de kerkelijke verkondiging en dienst. Dat ons dan diepe verootmoediging past voor Gods aangezicht, zal alleen waar zijn en worden in de actuele bediening van de verzoening door voldoening. En nergens anders. Want onze spirituele individualisering kent geen grenzen, ware het niet dat de werkelijke grenzen uiteindelijk aangebracht worden door de Rechter van hemel en aarde. En wel in de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze. Daar worden de contouren van de Kerk zichtbaar en leefbaar. Niet in een kerkorde, maar in de verkonding van de heilsorde. Een menselijk concept daarvan gaat altijd mank, omdat onze rationalisering, dan wel het verstand, altijd nalaat de grond van Gods weldoen op te merken. Waarom voel ik mij zeer diep verbonden met de baptist Charles Haddon Spurgeon, met Van Vlastuin en anderen in de Hersteld Hervormde Kerk, en velen in de afgescheiden kerken, zelfs meer dan met velen in de eigen kerk, waarom?! Omdat Gods Geest grenzen overschrijdt en doorbreekt, zodat ook ik kan zalig worden uit genade alleen. Ik ben daarom een vriend en metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Maar dan wel ootmoedig. Ondertussen zingen we nog een versje: “Kom ga met ons en doe als wij …” En bekijk het dan verder maar als je niet verder kijkt dan wat voor ogen is. Want wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. En gaandeweg krijgt dan de kerk gehalte en gestalte. Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk, dat is de gemeenschap der heiligen. Lieve Heere Jezus kom haastig!Toen ik in 2004 hervormd predikant was in de Maranathakerk in Rotterdam-Zuid ‘speelde’ het ‘Samen op Weg’ proces voor onze gemeente nauwelijks. Mogelijk lag dit aan de prediking toen ter tijd. Slechts een enkeling ging mee met de Hersteld Hervormde Kerk. Nog te veel, maar in feite een rimpeling, die nauwelijks opzien baarde. Wel werden de kerkelijke ontwikkelingen overwogen in de kerkenraad, maar het zogenaamd teloorgaan van de hervormde kerk werd ons niet duidelijk. Vandaar dat we meenden op onze plaats te moeten blijven.Anders was het in mijn vorige gemeente in Veenendaal. Daar scheurde de wijkgemeente, die ik had mogen dienen in de Vredeskerk, op een zeer ingrijpende wijze. De gevolgen zijn tot op vandaag merkbaar en voelbaar. En we vragen ons voortdurend af wat hier nu het geestelijke rendement van is geweest. Vriendschapsbanden en familiebanden werden voor altijd doorbroken of ernstig geschaad. Is dat de zaak van het evangelie waard en waardig?! Ondertussen bloeit deze wijkgemeente als weleer. De Vredeskerk zit iedere zondag tweemaal vol! Mijn vraag, na 20 jaar, is een stellig antwoord. Kerkelijk relativisme heeft zijn beperkingen, maar kerkelijk absolutisme kent zijn eigen dwalingen of ketterijen, zoals de geschiedenis van de laatste decennia heeft uitgewezen. Wij bewijzen de waarheid niet, maar de Waarheid bewijst zichzelf.

Toenadering tot elkaar? Alleen als wij samen leren bidden ‘Nader mijn God tot U , nader tot U’.





Opwekking al of niet op Pinksterconferentie 2023

Ook dit jaar werd de Pinksterconferentie 2023 Opwekking met 53000 bezoekers (zie R. D. 30 mei) een groot succes genoemd. Nog nooit kwamen er zoveel mensen naar Opwekking. Naar verluid confronterende preken, indrukwekkende aanbidding, eenheid ondanks diversiteit én een historisch slotconcert: het kwam allemaal voorbij. In elke tent klonk een weekend lang het evangelie van Jezus Christus en werd er gesproken, gezongen en gejubeld over de uitstorting, het werk en de vervulling van de Heilige Geest.

Tienduizenden mensen bezochten op zondag de conferentie en vierden in de ochtend heilig avondmaal in de grote tent. Vertegenwoordigers van kerken in Nederland en België baden en vierden samen avondmaal. De afsluiting van Opwekking zou indrukwekkender zijn geweest dan ooit. Het traditionele slotconcert op maandagmiddag betrof dit keer namelijk Black Gospel Worship waarbij het dak eraf ging.

Heeft deze Opwekking wat te maken met een Bijbelse opwekking? Dat is de vraag, als Thijs van den Brink in een EO -programma de 53000 bezoekers van Opwekking afweegt tegen de ‘leegloop van kerken vandaag’. Een vraag die temeer klemt als we bedenken dat ook jongeren en ouderen uit onze kerken voor dit evenement vatbaar waren.


Echt en onecht

Een ‘revival’ (herleving) is een geestelijke opwekking. Volgens een christelijke encyclopedie “veronderstelt een revival een geestelijke dorheid en doodsheid, hetzij in of hetzij buiten een bepaalde kerk en bedoelt een massale bekering; een te voorschijn treden van geestdriftig geloof en van krachtige lust om God te dienen. Geestdriftige opwekkingspredikers preken de eis van persoonlijke bekering. Met de zonde dient radicaal gebroken te worden, en van nu voortaan zal God in het gehele leven worden gediend. Massaal komen zondaren onder een dikwijls hartstochtelijke prediking tot bekering”

In de gehele kerkgeschiedenis is er sprake geweest van dergelijke opwekkingen. We beperken ons tot de tijd van de Reformatie, die in zeker opzicht al een opwekking kan worden genoemd. De meest bekende onder ons zijn dan wel de ‘revivals’ in Engeland in de achttiende eeuw onder predikers als George Whitefield en de gebroeders John en Charles Wesley en het ‘revival’ in Amerika (Nieuw Engeland) onder Jonathan Edwards. Daarnaast heeft Schotland vele eeuwen lang grote ‘revivals’ gekend. Deze mogen vrij sterk calvinistisch gestempeld worden genoemd. Maar niet alleen daar, ook in Australië, Korea, Zweden, Noorwegen en in Duitsland kwamen ‘revivals’ voor. Ook Nederland heeft dergelijke verschijnselen gekend (Nijkerkse beroeringen). Verwant hiermee is weer het Réveil, dat in Zwitserland en Frankrijk ontstond in de negentiende eeuw.

De ‘revivals’ brachten soms het zuivere Evangelie en bezielden de dorre kerk met nieuw leven. Dikwijls traden er echter ook pathologische (ziekelijke) verschijnselen op, en verliep de beweging in dwaling en buitensporigheden. Niet altijd konden de ‘revivals’ de toets van de Schriftuurlijke kritiek helemaal doorstaan. Een stuk waarachtige vroomheid ging dan vaak ten koste van de band met de kerk, die of gerekt werd of helemaal verdween. In het laatste geval werden de sectarische trekken dan wel heel duidelijk. De Geest werd overbenadrukt ten koste van het Woord. Vandaar dat we het doorgaans negatief dienen te beoordelen wanneer het ‘revival’ uitliep op radicalisme en separatisme. Al doen we dit dan vaak met pijn en met begrip.

Ook vandaag zijn er allerlei opwekkingsbewegingen, van meer of minder Bijbels gehalte. Eén ding hebben ze gemeen: de kerk is zoal niet dood dan toch wel heel erg koud en dus weinig inspirerend. Het moet allemaal eens een keer helemaal opnieuw aangepakt, beleefd en beleden (d.i. gedaan) worden. Dat we dan zo’n twintig eeuwen kerkgeschiedenis achter de rug hebben, is daarbij niet zo heel erg belangrijk meer. Men begint met een reformatorisch élan, maar men mist de breedte en de diepte van een kerkelijke reformatie. We denken dan aan de vele vormen van evangelische bewegingen in en buiten de kerk.in ons land. Deze doorgaans uit Amerika overgewaaide bewegingen vinden veel aanhang onder de aan drugs- en seks- verslaafden, voornamelijk in de grote steden. Andere verschijnselen zouden te noemen zijn. Allen gedreven door hetzelfde ‘vuur’: het opnieuw beleven van het christelijke geloof, als het moet - en in sommige gevallen : liefst! - ten koste van de kerk als instituut. En hier rijzen onze bezwaren levensgroot!

Kunnen en mogen we naar een opwekking verlangen? Het antwoord dient bevestigend te luiden. Een geestelijke opwekking is een broodnodige zaak. Maar dan wél kerkelijk! Een geestelijke opwekking van de kerk, binnen de kerk en door de kerk. En dan een opwekking door de Geest! En niet door een bepaald soort methodisme, op welke kerkelijke of wereldse leest ook geschoeid. Want onze methoden, hoe goed ook bedoeld, rieken naar vlees. En daarmee heeft de Geest niets van doen. De Geest laat zich niet vangen of binden door methoden, systemen, schema’s of kerkelijke politiek. De Geest is vrij. En de Geest werkt geestelijk. De enige band van de Geest is het Woord. En het Woord is verbonden met de kerk. Daaraan dankt de kerk haar ontstaan, én aan de Geest (vgl. H.C. Zondag 21). Zo zijn Geest, Woord, kerk en prediking nooit van elkaar te scheiden. God zij dank! Zal er van een geestelijke opwekking sprake zijn, dan is de Geest er, en het Woord en de kerk én de prediking. En als we kerk zeggen dan zeggen we ook instituut, want in het Oude Testament is het verbond geen ideële, maar een reële, geen abstracte, maar een concrete zaak. Zo ook ten aanzien van de vervulling in het Nieuwe Testament. En als we kerk zeggen, dan zeggen we ook ambt, prediking en sacrament. Vandaar dat de Geest zich ook, in afgeleide zin, bindt aan de kerk, het ambt, de prediking en het sacrament. Een geestelijke opwekking? Graag! Maar dan kerkelijk. En dan een geestelijke opwekking van de kerk van de Hervorming, in al haar verscheurdheid nochtans de eigenhandige planting van God in ons land.

De Geest werkt onwederstandelijk. Niet te weerstaan. Jawel! Maar op de wijze van de Vader en op de wijze van de Zoon. Op de wijze van het Woord! Want de Geest is de Heilige Geest, de Geest van God! Luther heeft gezegd: “De leer van de rechtvaardiging door het geloof is het artikel waarmee de Kerk staat of valt.” En Calvijn voerde in zijn theologie het adagium: ‘simul iustus et peccator (tegelijk rechtvaardige en tegelijk zondaar).’ Daarmee is volgens de Reformatie de christologie (de leer aangaande Christus) bepalend voor de pneumatologie (leer aangaande de Geest). Maar de huidige aandacht voor het werk van de Geest gaat verder. En daarmee te ver, zeg ik dan, omdat ze geen moment los verkrijgbaar is van de christologie. Want de Geest zou immers van zichzelf niet spreken? Het gevaar bestaat dat men vandaag met bovengenoemde overweging zijn plaats inneemt te midden van de geestdrijvers door de eeuwen heen! Waar de Reformatie vandaag niet verstaan wordt, daar zoekt men compensatie in de heiliging. Jawel, maar dan niet als zou de terugkeer tot de theologie en de prediking van ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’ binnen de kortste keren een welbegrepen en vervolgens gepasseerd station zijn! De eigenlijke rechtvaardiging heeft men dan nooit wezenlijk gekend of zelfs maar vérkend. Inderdaad, het gaat met Pinksteren om een geestelijk verstaan van een en ander.



De waarheid over de vrouw in het ambt


Het gaat in de kerk om de waarheid zoals die aan het licht gekomen is in Jezus Christus, het Hoofd van Zijn Kerk en de Bruidegom van Zijn bruidsgemeente. Deze waarheid is ook bepalend ten aanzien van het kerkelijke standpunt van de vrouw in het ambt. En die waarheid komt metterdaad aan het licht in de actuele bediening van de verzoening. Het gezag van de Schrift is daar en dan gezaghebbend aan het Woord. Daarbuiten is er mist of wordt er een mistgordijn opgetrokken.


In de traditie van de kerk der eeuwen zal dan de lijn van en met het Schriftgetuigenis doorgetrokken worden, indien de kerk vandaag kerk zal zijn. De theologie van kerkvaders en reformatoren zijn daarbij oriëntatiepunten en ijkpunten. Gevreesd moet worden dat de aansluiting hierop momenteel minimaal en marginaal moet heten. En als dit zo is, dan treedt er kortsluiting op met het getuigenis van de kerk op kruispunten in de geschiedenis. Het blijken uitgerekend die kruispunten te zijn waarop het kruis van Jezus Christus exclusief stond opgericht, waardoor de kerk in het betrokken tijdsgewricht werd verlicht. Kortsluiting met deze hoogspanning geeft ongelukken. Als in den beginne, toen Eva viel voor de verleiding van de satan. En toen Adam in haar spoor ging. Die ongelukken komen er juist wanneer de band met de kerk der eeuwen minimaal of marginaal moet worden genoemd. Er is dan geen sprake meer van een doorlopende lijn, maar van kromme wegen en omwegen waarop en waarlangs de kerk niet tot haar doel komt in de verheerlijking van God (gloria Dei), maar in de verheerlijking van eigen inzichten. Ongelukkigerwijze heeft men dan vaak de schijn mee, maar niet bij het schijnsel van Schrift en belijdenis. Rationeel is er dan veel aannemelijk gemaakt, maar zo ook onschadelijk gemaakt en daarmee beschadigd. Waar de vrome mens zich profileert, regeert God niet meer in Zijn genade alleen. En deze laatste krijgt altijd wonderlijker wijze gehalte en gestalte in de theologie van de Reformatie. De hedendaagse moderne theologie vertoont daarbij vergeleken vele trekken van een religieus rationalisme. De zaken zijn doorgerekend en berekend tot op een uitgerekend verstandelijk bevattingsvermogen van de vleselijke mens. En de houdbaarheidsdatum van de laatste duurt niet tot in eeuwigheid.


Gevreesd moet worden dat we grotendeels en in grote delen van de kerk alleen nog in naam gereformeerd zijn en heten, maar in werkelijkheid al lang zijn gedeformeerd. Onze rationele denkbeelden aangaande God en Zijn genade zijn in feite door de Reformatie al tegelijk met de toenmalige beeldendienst afgeschaft en opgeruimd. Het moet ronduit tragisch en dramatisch worden genoemd dat de beeldendienst in de kerk vandaag heeft plaats gemaakt voor de beeldendienst van eigen denkbeelden in de kerk. De kerk als zodanig ontvangt daarbij goddelijke eer, terwijl ze realiter bestaat uit goddelozen die gerechtvaardigd zijn en worden uit genade alleen, waardoor alle eer toekomt aan God.


Waar zijn vandaag de geheiligde persoonlijkheden op kansel en katheder die het alleen en uitsluitend gaat om de eer van God?! Luther en Calvijn zijn en blijven in dit perspectief indrukwekkend. En zo velen na hen, als Ds. G. Boer en Ds. W. L. Tukker, om maar enkelen te noemen. Waar echter de zalving wordt gemist, mist men wezenlijk in theologie en prediking de aansluiting op dit rijke verleden in het heden. Dan is de waarheid wezenlijk in het geding.

En waar de bronnen van Schrift en belijdenis verstopt lijken te zijn, daar gaat men deze vaak opnieuw aanboren. Gezichtsbedrog en koersbepaling wedijveren om de voorrang, om tenslotte elkaar aan te vullen en tenslotte elkaar in te vullen. De verwarring en de kerkelijke verwarring zijn daarmee compleet. Jawel, reformatorisch boven alles! Al lijkt het er zelfs niet op en al lijkt het eigenlijk nergens naar. Maar daar hebben we dan ook weer genade voor nodig, en dat vergoedt veel. Hoewel niet alles! Of eigenlijk niets, goed beschouwd. Voor dit laatste is visie nodig, die van de Reformatie. Allerlei theologische en kerkelijke visies worden ten beste gegeven en vervolgens te berde gebracht om enerzijds de aansluiting op de eigen kerkelijke koersbepaling en anderzijds op het huidige moderne denken vooral niet te missen.


En het schijnt daarbij maar niet tot ons door te dringen dat we de boot op de wateren van vrije genade al lang hebben gemist. De waarheid laten we dan maar even in het midden. Want we zijn nu eenmaal niet rechts en niet links, maar eigentijds. De eeuwigheid staat dan wel op het spel, indien zij ooit in het spel is geweest. Verwarring en verstarring bepalen elkaar nu over en weer. Terwijl niemand er meer wijs uit kan, laat staan er wijzer van wordt. Tenzij de waarheid uiterst persoonlijk aan het licht komt in de bediening van de verzoening.

Alleen vanuit de oriëntatie op de Reformatie zal de prediking de enige constante factor zijn in de continuering van het heil van geslacht op geslacht in de geschiedenis van de kerk der eeuwen. Alleen vanuit deze prediking constitueert de Kerk van de Hervorming zich als waarlijk katholiek. Over de waarheid gesproken in de ware kerk.




Beginsel van de eeuwige vreugde of transcendentieverlies

Waarom is het gereformeerde denken en preken vandaag vaak zo afgeplat en grijs geworden? Zoiets als theologiebeoefening en prediking op een vierkante meter! Het antwoord moet zijn dat de huidige theologiebeoefening en prediking in hoge mate het daartoe vereiste transcendente denken missen. Zij vervluchtigen omdat zij vluchten voor de eeuwigheid. Het Barthiaanse denken heeft diepere sporen nagelaten dan wij voor waar willen hebben en houden.

Bedoelde transcendentie is het overstijgen van de schepping. In eerste instantie is dit een eigenschap van God en is dan tegengesteld aan immanentie, waarbij God onlosmakelijk aan de schepping is verbonden. Daarnaast is transcendentie het op mystieke wijze ondervinden van het bovennatuurlijke, waarbij mensen ervaringen hebben die hen boven de gewone werkelijkheid uittillen.

De Heidelbergse Catechismus belijdt in Zondag 22 het beginsel van de eeuwige vreugde, dat ik in mijn hart gevoel. En dan gaat het om de troost die wij scheppen uit het eeuwige leven. Dit wordt beleden met het oog op dood en opstanding. Kennelijk gerelateerd aan de enige troost in leven en sterven van Zondag 1.

Waarom staat bedoelde theologie en prediking niet midden in de wegstervende wereld van vandaag? En is dit niet de oorzaak van de sterk om zich heen grijpende secularisatie of ontkerstening? Een ontkerstening die blijkbaar begint in de kerk, waar tallozen gaan vluchten voor levenloze woorden en bewoordingen, die de hemel niet het hart indragen omdat ze zelf ‘hemel-loos’ geworden zijn. Want in de Schrift is het hart immers de plek van het kennen, meer dan het verstand. In ons hart doen we een dubbele ervaring op. Daar wordt de eeuwige vreugde in beginsel al gekend en daar ervaren we onze volstrekte ontoereikendheid om dit nieuwe geheel en al te overzien.

Momenteel is er sprake van een doorlopend transcendentieverlies vanwege mogelijk chronisch bloedverlies in de bediening der verzoening. De woorden zijn er nog wel in theologie en prediking, maar de beleving of ervaring daarvan wordt grotendeels gemist. Zo mist ‘het scheepje onder Jezus hoede’ de boot door de huidige generaties heen. ‘Het zegt mij niets meer’ wordt een synoniem voor ‘God zegt mij niets meer’, omdat de gereformeerde theologie en prediking nauwelijks nog gedragen worden door het transcendente element van het gevoelen van het beginsel van de eeuwige vreugde in het hart. Het gevoelen daarvan wordt zelfs systematisch verdacht gemaakt. Maar wie deze eeuwige vreugde niet gevoelt, verdwijnt op den duur en voor eeuwig. Een gevoelig verlies! Tijd om ons te bekeren vanuit de hemel in wedergeboorte en geloof naar de hemel toe. Want het verstandsgeloof laat na de ware grond van het weldoen op te merken (Ps. 36 : 1).


Genderideologie logisch gevolg van denken zonder God


Over het algemeen genomen is God geen factor van betekenis meer in onze Westerse samenleving. God is feitelijk voor mensen van de eenentwintigste eeuw afwezig. Een vroegere binding aan de christelijke traditie moest haar plaats afstaan aan seculiere vrijheid en humane verdraagzaamheid. Daardoor ontstond een neutraal vacuüm waarin de mens het zelf voor het zeggen kreeg. En wat hij te zeggen had wordt zichtbaar in een stroom seculiere literatuur waarin de laatste sporen van het christendom bewust, en onder ons mogelijk onbewust, geëlimineerd worden. In de praktijk bleek dit lange tijd een desillusie te zijn. Veel ideologieën kwamen en gingen ook weer. Heilzaam bleken ze allerminst. Vandaar dat een gevaarlijke levensbeschouwelijke leegte kenmerkend is geworden voor onze Westerse samenleving. Sinds de secularisatie van het leven hebben ontbindende krachten vrij spel. Momenteel heeft de genderideologie onder ons alle aandacht, ook in de kerk. Want je moet toch serieus in gaan op de vragen die vandaag spelen. Dan ben je in ieder geval wetenschappelijk verantwoord bezig.


De ontkerstening van ons land en van onze Westerse cultuur zeggen velen ter harte te nemen. Het wordt gezegd met zoveel woorden in onze christelijke en zelfs reformatorische media. Soms zelfs in preken. Diverse columns geven vaak te denken. Over het geheel genomen echter gaat het ons niet echt aan het hart. Maar worden we zelf meegenomen door het seculiere denken, om ons subtiele narcisme ruim baan te geven en aldus te legitimeren. De positie van man en vrouw moet dan nodig herzien worden. Vooral Bijbels natuurlijk, want we zijn Bijbelse christenen. Eventueel verzetten we daarvoor de Bijbelse bakens. En dit kan, want wetenschappelijk kan er veel. Aldus de dusgenaamde wetenschap.


Ondertussen raakt dit wél het hart van het gereformeerde belijden. Gevreesd moet worden dat het in wezen en in werkelijkheid meer gaat om het belijden van religie vandaag dan om de religie van het belijden in onze tijden. Uiteraard bedoelen we met het laatste het belijden van de Kerk der eeuwen. Geconstateerd moet worden dat dit belijden is gaan lijden aan bloedarmoede. Immers de bloedcirculatie van het bloed der verzoening van de Heere Jezus Christus, als het Hoofd van Zijn gemeente, stagneert hier op vitale punten. Het heeft alles van doen met een wezenlijke verschuiving in het belijden ten aanzien van de theologie en prediking van de Reformatie in de zestiende eeuw, zoals deze voornamelijk zijn verwoord door Luther en Calvijn. Een zeker reformatorisch belijden in leer en leven maakt zich nu zo breed mogelijk, maar verliest wezenlijk terrein. Een sterk gereduceerd gehalte aan christelijke godsdienst neemt momenteel op een aangrijpende wijze de plaats in van de vitaliteit van het belijden van de Reformatie. Ook mede daarom zo aangrijpend omdat hier doorgaans geen oog voor is. Ondertussen doet de seculiere ontwrichting van kerk en maatschappij op een subtiele wijze zijn vernietigend werk.


Het is onthullend te moeten vast stellen dat de secularisatie of ontkerstening van ons land niet van de wereld naar de kerk toe komt, maar dat zij nadrukkelijk van de kerk uitgaat naar de wereld om ons heen. Dit kan zelfs de zogenaamde gereformeerde wereld zijn. Traditioneel gezien mag Gods Naam nog een tijd worden genoemd, maar in werkelijkheid is er voor Hem in de cultuur en in de maatschappij geen plaats meer. God wordt gemanipuleerd naar het privéleven van het ‘ik vind, en dus is het zo’. Dit is ondertussen wel het wezen van de secularisatie. En deze privatisering begint onder hen die zich vandaag ‘reformatorisch’ noemen. Gevreesd moet worden dat ook onder hen, en zo onder ons, God gaat verdwijnen. Wat er dan over blijft is humanisering in de vorm van een vergulde secularisering. De muren van de kerk in ons land staan dan net zo lang overeind tot de muren van dit ‘Jericho’ definitief instorten. Mogelijk na een tussenfase, die de vorm aanneemt van een mozaïek. Maar die veelkleurige vormen bleken namelijk niets van doen te hebben met de veelvuldige wijsheid van God (Efeze 3 : 10). Kerk in Nederland let op uw zaak!




Dr. G. A. van den Brink ontspoort


Dr. G. A. van den Brink keert zich tegen de min of meer gesystematiseerde visie op de heilsweg die hij breed in de gereformeerde gezindte meent aan te treffen. Daar zou volgens hem het rationalisme of de verstandelijke doordenking en ordening theologisch wanorde hebben gebracht. Met zijn bedenkingen is op zich niks mis, ware het niet dat hij in dezelfde fout valt als waar hij de bedenkers van het verdachte verschijnsel van beticht. Jawel, een exclusief rationele of verstandelijke doordenking. Ik mis bij hem in hoge mate een spirituele doordenking van de orde van het heil en de dienovereenkomstige toepassing (applicatio salutis).


Van den Brink stelt: “Wij moeten geloven wat God zegt, omdat God geloofwaardig is”. Ik zit te kijken naar dat woordje ‘moeten’, want dat vertrouw ik niet. Komt daar wetmatigheid of methodisme om de hoek kijken? Want hoe weet hij dit, dat God geloofwaardig is? Bij God vandaan of via een louter verstandelijke kennis? Bij dit laatste haak ik wezenlijk af. Is hier toch sprake van wetticisme, dat hij zelf wil bestrijden? Het zou zo maar kunnen.


Vervolgens stelt Van den Brink: “Als God tot ons spreekt in het evangelie, wordt geloven mogelijk. Want als wij Hem niet horen, zullen we ook niet gaan geloven”. Op zich niks mis mee, maar dit horen is wel een gekwalificeerd horen. Door de Heilige Geest! “Hoor en uw ziel zal leven (Jesaja 55 : 3)”. Ik mis dit pneumatologische accent zeer, dan wel wezenlijk.


Van den Brink neemt het op voor de prangende vraag van de kerkganger: ‘Hoe kom ik aan het geloof’? Hoe prangend is dat? Eigenbelang of de eer van God? Graag meer onderscheidend formuleren vanuit een trinitarische benadering! Het tijdgeloof ligt hier zo maar op de loer, en verslaat ondertussen zijn duizenden.


In verband met deze theologische benadering van Dr. Van den Brink het volgende. In zijn recente publicaties neemt het woord ‘aannemen’ een doorslaggevende plaats in. Maar dit belangrijke Bijbelse woord neemt bij hem geen Bijbelse en gereformeerde plaats in. Want Joh. 1 : 11 - 13 geeft ons een alomvattende definitie van dit woord: “Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn”. In dit voorwoord (de Johannesproloog) op het verdere evangelie van Johannes blijken dit de ‘tollenaren en zondaren’ te zijn, die Hem aannemen. Zij zijn ‘uit God geboren’ (vs. 13). Dus wederom geboren! Dat aannemen vindt dus plaats vanuit de wedergeboorte. Daar ligt het accent op, en niet op het aannemen als zodanig. Als voorspel op de rechtvaardiging van de goddeloze (heidenen) in de Romeinenbrief. Wie deze Bijbelse grondlijnen veronachtzaamd, verdwaalt hopeloos.


Om bevrijd te worden van het rechtvaardig oordeel van God over de zonden is het van groot belang dat zonden worden beleden: “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1Joh 1:9).


Daarmee is het bezwaar van Dr. G. A. van den Brink tegen een zijns inziens gesystematiseerde heilsweg in de gereformeerde gezindte praktisch weerlegd. Omdat hij eerst van de drieslag ‘ellende – verlossing – dankbaarheid’ (zie Heidelbergse Catechismus) een rationalistische (verstandelijke) karikatuur maakt. En deze dan op een navenante wijze benadert, omdat bij hem het trinitarische element (d.w.z. het onderscheiden werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) ten enenmale ontbreekt. In de gereformeerde prediking dient het ‘horen’ dan ook pneumatologisch (d.w.z. door de werking Heilige Geest) bepaald te zijn. De verkiezende God, en niet de kiezende mens, bepaalt of er geloof is of niet. Daarom zijn de Dordtse Leerregels één grote onderstreping van het genadekarakter van het geloof. Daarbuiten is er sprake van tijdgeloof of schijngeloof.


En omdat het onderscheidend element ontbreekt, werkt deze in feite ‘algemene verzoening’ bij Dr. G. A. van den Brink een zeer oppervlakkig zondebesef in de hand. Christus heeft immers je zonden al gedragen? Je hoeft het alleen maar aan te nemen, je hoeft het alleen maar te geloven. En dan wordt dit ‘aannemen’ verabsoluteerd, want immers losgemaakt uit de context dan wel het verband waarin het staat. De noodzaak van belijdenis en berouw verdwijnen dan heel gemakkelijk naar de achtergrond. Dordt wees deze leer af en stelde daar tegenover de ‘particuliere verzoening’, in navolging van Calvijn.


Zonder de algemene verzoening met zoveel woorden (expressis verbis) te belijden kan er in de prediking toch een trend in die richting ontstaan, omdat het onderscheidend element (vaak) ontbreekt. Dit gevaar is niet alleen bij Van den Brink, maar alom tegenwoordig in de huidige gereformeerde gezindte.


Het merkwaardige is dat sommige kerken in de Reformatie praktisch hetzelfde zeggen met betrekking tot het zogenaamde aanbod van genade. Ze hebben de prediking van de genade geheel uit de Schrift losgemaakt in plaats van deze rustig te laten liggen in de bedding van het Woord. Als het aanbod van de genade losgemaakt wordt van de Schrift dreigt er een nieuwe wet, een variant op de evangelische nadruk dat je nu moet beslissen. De reformatorische opvatting is echter dat wij niets hoeven te doen, maar dat God heden wat met ons doet. De verzoening wordt bediend in plaats van aangeboden. We hebben niets aan te bieden. We zijn geen aanbieders maar uitdelers van de genade (1 Petrus 4 : 10). Daar zullen we voor vallen of óver vallen!


Vandaag is de kwestie van het ‘aannemen’(G. A. van den Brink) weer volop aan de orde. Maar het aannemen zit in de bediening van het Woord. Ook dat geeft God. Hij geeft wat Hij eist. Hij verlicht het verstand en vernieuwt de wil. Waarom de een dan wél en de ander het Woord níet aanneemt, dat behoort tot een spanningsveld in theologie en prediking, dat we niet verstandelijk kunnen doorlichten, zonder deze heilige en heilzame spanning op te heffen en in feite op dood spoor te manoeuvreren dan wel te manipuleren.

Dr. C. A. van der Sluijs



De wedergeboorte als oorzaak van het geloof


“De wedergeboorte is een oorzaak van het geloof, maar deze oorzaak maakt het geloven zelf niet overbodig”. Aldus dr. G. A. van den Brink. En hij vervolgt dan: “Maar, als we alleen kunnen geloven wanneer we wedergeboren zijn, wat heeft het dan voor zin om te zeggen dat we mogen geloven of dat wij moeten geloven? Is dat niet zinloos, verwarrend en zelfs gemeen? Je zegt toch ook niet tegen een blinde dat hij mag of moet kijken? Je zegt tegen een verlamde toch ook niet dat hij moet gaan lopen? Als de onmacht van de mens om te geloven zo groot is, waarom zou je hem dan oproepen tot Christus te gaan en het bevel van geloof en bekering laten klinken”? Eerlijk gezegd schrik ik hier van. Want in de Bijbel wordt dit nu juist wél gezegd tegen een blinde en een verlamde! En dan gaat het om de geopenbaarde verborgenheid van en in de bediening der verzoening. Daarop krijgen we rationeel, dan wel verstandelijk, nooit vat. Het komt mij voor dat mijn collega hier het spiegelbeeld is van hen die hij kritiseert.

Het Woord van God is immers levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling der ziel en des mergs en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten (vgl. Hebr. 4 ; 123). Het trekt ons inderdaad door merg en been! Doden worden levend en ‘levenden’ worden gedood. En als de ultieme mogelijkheid zich voordoet dat het Woord van de prediking ons geen nut doet, dan zit dit niet in het Woord, maar dan zit dat kennelijk in ons, omdat het met geloof niet was gemengd (vgl. Joh. 12 : 3 en Hebr. 4 : 2).

We horen ons levend aan het Woord of we ergeren ons aan ditzelfde Woord dood! (vgl. Hand. 7 : 54) Een en hetzelfde Woord is dan onder dezelfde prediking een reuk des levens ten leven of een reuk des doods ten dode (vgl. 2 Kor. 2 : 15v). Het zal gaan van leven tot leven en van kracht tot kracht tot in het eeuwig zalig leven, dan wel vanuit de dood tot de dood in de eeuwige dood. Te midden van dit krachtenveld slaat voortdurend de bliksem in van Gods genade als lichtflits van de toekomst van de Zoon des mensen, afwisselend doortrild van de donder van de Sinaï of doorademd met het suizen van een zachte stilte. Als een geschieden tussen hemel en aarde voltrekt zich de bediening der verzoening vanuit de hemel óp de aarde als zijnde het meest geladen spanningsveld in het ‘kort geding’ tussen God en mens. De tijd is immers voorts kort. Er is haast bij. En dit “haast u om uws levenswil”(vgl. Gen. 19 : 22) horen we alleen maar in de stilte van het heiligdom van de dienst der verzoening. Waar onze ziel stil wordt tot God en de atmosfeer zwanger is van het “Heere Jezus, kom haastig!”(vgl. Openb. 22 : 20).

Op geen enkele wijze is deze Evangeliebediening in overeenstemming te brengen met de rede. Zij gaat daar dwars door heen en daar ver boven uit! En daarom zal ze altijd op weerstand stuiten van het natuurlijke hart. En aldus wordt deze weerstand gemanifesteerd als opstand van de rede, die redelijkerwijze de dingen van het Koninkrijk van God nu eenmaal anders verstaat.

God spreekt en het is er en Hij gebiedt en het staat er! Zo staat het er bij en zo staat Hij er bij, en zo staat het er op en zo staan wij er op in en onder de bediening van de verzoening, waarbij we alleen maar kunnen opstaan of ondergaan. Onder bediening van Wet en Evangelie zijn er slechts twee wegen, en geen drie.

Ondertussen doen we allerlei pogingen om een derde weg te creëren. Men zou dit kunnen noemen: creatie en recreatie van beneden af. De HEERE is God of wij pretenderen het te zijn. En dit laatste voltrekt zich ongekend subtiel.

Gods verkiezende genade komt juist in en door de bediening der verzoening openbaar. En dit mag een openbaring op zich worden genoemd. De vrijmacht van God en de onmacht van de mens realiseren zich dan en daar in het antwoord van de mens op het Woord van God, waarbij en waarin de verantwoordelijkheid van de mens is gegeven, zowel positief als negatief onder de bediening der verzoening die ons is gegeven. En daaromtrent zijn harde gegevens niet verkrijgbaar, maar wel hóórbaar in en onder de bediening van het Woord in het kort geding tussen God en ons.

Want het geloof is als gave van God altijd uit het gehoor. Dit ‘horen’ brengt de menselijke verantwoordelijkheid in één Geestesadem met zich mee, waarin de mens antwoordt op het Woord van God. De rechte verantwoordelijkheid mag dan ook nergens anders gelegd worden dan in het ‘over en weer’ van Woord en antwoord. Nadrukkelijk moet daarbij worden gesteld dat de formulering en accentuering van de menselijke verantwoordelijkheid in enigerlei kwalificaties van de mens bezijden de waarheid, en dus uit den boze (!) is. De verantwoordelijkheid wordt Woordelijk op de mens gelegd onder de bediening van het Woord. En deze mens zal op Gods bevrijding reageren in toewijding of mijding. Soms zoekt hij het zwaard van de Geest te pareren door de ‘vrome mens’ te eren.

Het onderscheid tussen uitwendige en inwendige roeping mag de eenheid van de éne roeping nooit ontwrichten. De éne prediking gaat van deze onderscheiding niet uit, maar heeft deze blijkbaar en tastbaar en hoorbaar tot gevolg! Zo doende voltrekt de bediening der verzoening zich onder de hoogspanning van de eeuwigheid. Ontzaglijke en ontzagwekkende realiteit. Een werkelijkheid te midden van en niettegenstaande onze kerkelijkheid, waarin het vonkt van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Verzoening door voldoening krijgt zijn beslag als gehoorde vrijspraak in het geding tussen God en onze ziel. Als een wonder van genade.



Ds. G. Boer verdedigde in zijn kerk klassieke verzoeningsleer

 

 

INTRO:

Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk zette ds. G. Boer zich sterk in voor een onverkorte handhaving van de klassieke verzoeningsleer, zoals verwoord in de gereformeerde belijdenisgeschriften. Hij stemde in met Calvijn, waarschuwde voor Barth en houdt ons een spiegel voor.

 

Heel nadrukkelijk beklemtoont ds. Boer  –op 17 januari was het vijftig jaar geleden dat de markante predikant overleed– de plaatsvervanging. Hij ziet de spits van de verzoening door het bloed van Christus in de eerste plaats op God gericht. De realiteit van Gods toorn mag niet omspoeld en weggespoeld worden door de werkelijkheid van Zijn overweldigende liefde. De Schrift, zo benadrukt ds. Boer, kent het heen en weer van de toorn naar de liefde, van het gericht naar de vrijspraak. Vanwege deze Bijbelse accenten zag hij zich genoodzaakt om een minderheidsrapport over de verzoening bij de synode in te dienen.

 

Vervlakking

Enkele schetsen uit dit rapport doen ons hem kennen. Bij nader inzien blijkt volgens ds. Boer de grond van de zekerheid niet buiten de verzoening met God te liggen, maar juist er midden in. Vervolgens geeft hij een overzicht van de verzoening in de Vroege Kerk en de Reformatie. De Schrift spreekt over Christus’ dood als het offer voor de zonde, als de weg waarop de vrede gevonden wordt, als een uitdelgen van de schuld, als vergeving van de zonden.

In grote geschillen inzake de leer van de verzoening gaat het om de meest persoonlijke, bevindelijke ontmoeting met God, Die doodt en levend maakt, veroordeelt en vrijspreekt, doet wegzinken en doet opkomen, afsnijdt van onze oude levenswortel en inlijft in Christus. Ook bij de theoloog K. Barth zit hier de ”nervus rerum” (zenuw van alles). Gods toorn wordt omspoeld door Zijn liefde, zegt hij. Ligt hier niet de oorzaak van de grote vervlakking die de prediking –door Barth geïnspireerd– ook in ons vaderland gebracht heeft?, vroeg ds. Boer zich af.

In de nieuwe theologie worden de pezen van de reformatorische verzoeningsleer doorgesneden en wordt het kruis alleen het kenprincipe van Gods líefde. Dan is de prediking van de liefde van God er alleen op uit om wederliefde te wekken. Meer niet. Hier sterft de religie weg. De ontkerstening van ons land neemt toe naarmate deze prediking meer terrein wint. Wie de toorn van God niet ernstig neemt, neemt ook de zonde niet ernstig.

 

Evenwichtig

De verzoening gaat niet alleen van God úit (God gaf het offer), maar is ook op God gerícht (God eist het offer). Wij krijgen alleen via het gericht over ons leven deel aan de vrede van God in Christus. Op dit punt wijken hedendaagse gereformeerden af. Volgens hen is er een onomkeerbare wending van Gods toorn naar Gods liefde in ons persoonlijk leven en zijn wij met God verzoend door de dood van Christus. Maar ook dan, wanneer wij persoonlijk met God verzoend zijn, blijft er een bewogen omgang met God. Daarin is, zij het anders dan voorheen, sprake van een heen en weer van de liefde naar het misnoegen van God, en omgekeerd. Daarin is de verzoening door het bloed van Christus een blíjvende zaak, die in al zijn facetten steeds heerlijker gaat schitteren. Verzoening is erkenning van de rechtsorde van God. Deze rechtsorde wordt op Golgotha niet geschonden, maar ten volle gerespecteerd.

Daarom is alleen hij die in Christus is een nieuw schepsel. In Christus zijn betekent: Christus ingelijfd zijn, lid van Zijn lichaam zijn en daarom geheel door Hem geregeerd worden. Het betekent ook deel hebben aan de vruchten van Zijn werk, de ”unio mystica” (geestelijke vereniging) met Hem beoefenen en daarom bewust leven tot Zijn eer.

Calvijn laat nooit de gerechtigheid en de heiligheid van God in de liefde van God ondergaan, benadrukt ds. Boer. Hij laat de toorn van God niet door de liefde van God omspoelen en wegspoelen, maar handhaaft deze beide op een geestelijke en zeldzaam evenwichtige wijze.

 

Nodiging

De aanbidding vindt daar plaats waar God gezegd heeft: „Aldaar zal Ik tot u spreken” (Exodus 25:22). Dat is de plaats waar het alles druipt van het bloed van Christus. Enerzijds om de toorn van God te stillen, anderzijds om het geweten te reinigen van de dode en de boze werken, om de levende God te dienen. Dat is een gebeuren op Golgotha en een gebeuren in het hart. De Heilige Geest brengt dit offer in het hart door Zijn levende tegenwoordigheid.

De nodiging luidt: „Laat u met God verzoenen” (2 Korinthe 5:20). Dus niet: U bent verzoend, geloof dat. Het moet vandaag uitdrukkelijk gesteld worden dat dit niet waar is, omdat de Bijbel ons anders leert, aldus ds. Boer. En wanneer de prediking van de verzoening opgaat in een mededeling van een nieuwe stand van zaken, die uitgeroepen moet worden en die met geloof of ongeloof kan worden beantwoord, zonder dat dit iets verandert, dan is dat tegen de Schrift.


Kritische geestelijke verbondenheid

Het theologische denken en de prediking van ds. Boer zijn christocentrisch. Zijn christologie staat wel altijd in het kader van de Drieëenheid en wordt nauw verbonden met het werk van de verkiezende God en met de Heilige Geest.

In de worsteling om het belijden in het geheel van de kerk en binnen de Gereformeerde Bond heeft ds. Boer sporen getrokken, al waren het volgens sommigen ook wel eens smalle sporen. Prof. C. Graafland ging volgens ds. Boer wegen waarin hij hem niet kon volgen en die hij gevaarlijk achtte. Ook meende hij dat de verkiezing in de prediking binnen de Gereformeerde Bond niet zo overheersend was als Graafland geschetst had. De prediking van de verkiezende God diende tot verheerlijking van Gods genade en verdiende in zijn ogen veel aandacht. Ds. Boer toonde zich ook beducht voor de belangstelling hier en daar in de Gereformeerde Bond voor de theologie van Barth. Er zijn pogingen ondernomen om ds. Boer weer in contact te brengen met prof. Graafland.

Ook tussen ds. Boer en ds. L. Kievit ontstond enige tijd verwijdering. Die zou te maken hebben gehad met een gebrek aan openheid jegens critici binnen de Gereformeerde Bond. De verwijdering had echter wezenlijk te maken met het zicht op en de vertolking van de verzoening. Tussen beiden bleef intussen een intense band in geestelijk opzicht bestaan.

Met prof. Graafland en ds. Kievit veranderden de toonsoort en toonhoogte in de verkondiging enigszins. Het onderscheidend element was minder sterk aanwezig. Onbedoeld ontstond er een trend in de verkondiging richting de algemene verzoening.

Immers de ‘algemene verzoening’ werkt een zeer oppervlakkig zondebesef in de hand. Christus heeft immers je zonden al gedragen? Je hoeft het alleen maar aan te nemen, je hoeft het alleen maar te geloven. De noodzaak van belijdenis en berouw verdwijnen heel gemakkelijk naar de achtergrond. Dordt wees deze leer af en stelde daar tegenover de ‘particuliere verzoening’, in navolging van Calvijn.
Zonder de algemene verzoening met zoveel woorden (expressis verbis) te belijden kan er in de prediking toch een trend in die richting ontstaan, omdat het onderscheidend element (vaak) ontbreekt. Gesignaleerde tendens zet tot op vandaag heel subtiel door. Dit gevaar is alom tegenwoordig in de huidige gereformeerde gezindte.

Gevraagd zou kunnen worden hoe ds. Boer nu, vijftig jaar later, zou terugkijken op de ontwikkelingen in de Gereformeerde Bond. Het zou goed zijn ons met deze vraag diepgaand bezig te houden.

 

                  

 

Unieke prediking van Spurgeon vandaag


In gedachten zijn we op een zondag in de 19de eeuw in Londen in de kerk bij Charles Haddon Spurgeon. De prins der predikers verschijnt voor het voetlicht, omstraald met het licht van de hemel. Spurgeon is groot omdat hij zo klein is voor God. De liefde van God omsluit zoals iedere zondag de duizenden in de grote Metropolitan Tabernacle in Londen-Southwark. De duif van de Geest vliegt rusteloos af en aan van het speekgestoelte naar alle uithoeken op en onder de drie galerijen van het immense gebouw dat iedere zondag 5000 toehoorders bergt.

God doet wonderen, Hij alleen. En toch is daar ook een subtiele en manifeste verbondenheid met de prediker. Hij neemt tallozen ademloos gevangen om op te ademen in de gehoorzaamheid van Jezus Christus. De bewogenheid van God zindert in de prediker en krijgt zijn beslag over de samengepakte duizenden. Eeuwigheidspanning is voelbaar en bijna hoorbaar. Er gaat een sprake vanuit als antwoord op het spreken van God in de woorden van de prediker. Hier staat een prediker in wie de klanken van de Reformatie tot klinken komen met piëtistische ondertonen waarbij het getuigenis van de kerk der eeuwen de boventoon voert. Kinderlijke naïviteit en hoogbegaafdheid mengelen zich in de getuigende verkondiging van de prediker als een machtig klokkenspel, bespeeld door de grote Beiaardier in de hemel

Als er weer gepreekt zou worden in de geest van Spurgeon, zouden er opnieuw tallozen gezegend worden. Want de binnenkant van de secularisatie is de misère van de prediking vandaag. Voorspelbare prediking zonder de kracht van de genade heeft een eigen verzadigingsmoment. Daarna wenst de gemeente neurotisch bevestigd te worden in het eigen gelijk. En wenst men gelijk te blijven aan zichzelf, al zegt men uit te zien naar verandering. Positieve verandering in wedergeboorte en bekering komt van God als een wonder van Zijn genade. Op de wijze van de verrassing. Deze verrassing manifesteert zich door en in de prediking. Dan gaat het om prediking in betoning van Geest en kracht, waar God in is en waar de prediker als gezalfde van de Heere in is. De ruimte wordt gevuld met de heerlijkheid des Heeren en harten worden daarmee vervuld. In een eindeloze honger en dorst naar de gerechtigheid van Jezus Christus. En de velerlei vertroostingen van de Heilige Geest vermenigvuldigen zich als maar door.

Een machtig heimwee vult de kerkruimte en voert tallozen heen naar het eeuwig zalig leven. Afwisselend ziet de gemeente de heerlijkheid Gods en dan weer de zalving van de prediker in de bediening der verzoening. Deze vloeien in elkaar over zodat de aarde wordt meegenomen naar de hemel en de hemel op de aarde neerdaalt. Een machtige gloed van hemels vuur vervult harten en zinnen. En de lofzang stijgt naar boven: ‘Mijn God, ik zal U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan’.

Deze Geest-vervulde prediking richt armen op uit het slijk en plaatst hen naast prinsen en wereldgroten. Meer dan rijkdom en meer dan goud schitteren in de genadegaven van de Heilige Geest. Deze vervullen harten en levens van de hoorders zodat hun monden steeds overvloeien van Gods eer. Deze hemelse prediking ontrukt aan de ellende hier beneden en ontstijgt het leven van alledag om dit tot in alle hoeken en gaten te vullen met de heerlijke tegenwoordigheid van God.

De sleur van iedere zondag is voorbij en de harde kerkbanken nodigen uit om te gaan zitten aan de voeten van Jezus. Een en al oor ontgaat ons geen woord van God. Weer komt de prediker in ’t zicht met achter hem en in hem de heerlijkheid van God. Zijn persoonlijkheid doortrokken van de bediening der verzoening vervaagt weer om ten slotte niemand meer te zien dan Jezus alleen.

De zondag wordt een uitgaansdag naar de voorhoven van onze God. En vult zo alle dagen van de week met de liefelijke reuk van Christus. Het aroma van de hemel omgeeft onze levens. En als wandelende bijbels mogen we met ons leven anderen vertellen dat God goed is. Prediking wordt een ongehoord en ongezien verschijnsel, als ware het opnieuw Pinksteren: ‘Wat mag toch dit zijn?’. En de secularisatie wordt gaandeweg opgerold in het voortdurend ontrollen van het eeuwige evangelie vanuit de boekrol in de handen van een engel. Wat hier geschiedt, is volstrekt uniek. Een uniciteit van Godswege.

Een Spurgeon vandaag en de secularisatie verdwijnt als sneeuw voor de zon en doorbreekt alle kerkelijke grenzen. Want er zijn ook in ons land geen grenzen aan Jezus macht.